ECLI:NL:HR:2024:1153 — Hoge Raad, 2024-09-10 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
De verdachte is door het hof Den Haag veroordeeld, onder meer (feit 3) voor gewoontewitwassen van € 69.454,15. De FIOD maakte een vermogensvergelijking: circa € 136.504 aan uitgaven en vermogen (waaronder een met ruim € 92.000 gestegen saldo op een Marokkaanse bankrekening) tegenover circa € 67.050 aan legaal beschikbare middelen. Het hof achtte op basis daarvan het witwasvermoeden gerechtvaardigd. De verdediging voerde aan dat € 25.000 afkomstig was van een lening bij Defam B.V., onderbouwd met een in eerste aanleg overgelegde incassobrief (vordering van € 37.840,02). Het hof achtte die verklaring onvoldoende geconcretiseerd, omdat uit de brief niet bleek dat de lening vóór de te verantwoorden uitgaven was aangegaan.
Het vierde cassatiemiddel klaagt over dit oordeel. De Hoge Raad herhaalt het kader uit HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, en oordeelt dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is: de verdachte heeft mede met de verwijzing naar de incassobrief concreet aangevoerd wat de herkomst van een deel van de geldbedragen is, terwijl het hof niet heeft gemotiveerd waarom in het licht van die brief onvoldoende concrete aanknopingspunten bestonden voor nader onderzoek door het openbaar ministerie naar (het moment van totstandkoming van) de gestelde lening. Het middel slaagt. De middelen 1 tot en met 3 worden met artikel 81 RO verworpen; de middelen 5 en 6 blijven onbesproken. Volgt partiële vernietiging (feit 3 en strafoplegging) en terugwijzing naar het hof Den Haag.
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest is een toepassing en aanscherping binnen de bewijslijn “uit enig misdrijf afkomstig” zonder vaststaand gronddelict, met als ankerarrest HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, en als moderne standaardformulering HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 — door de Hoge Raad in r.o. 3.3 woordelijk herhaald. Het arrest brengt geen nieuwe rechtsregel, maar markeert scherp de grens van wat de feitenrechter aan een onderbouwde maar onvolledige herkomstverklaring mag eisen.
De kern zit in de derde stap van het bekende samenspel (vermoeden → verlangde verklaring → toets en nader onderzoek). Geeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring, dan ligt nader onderzoek op de weg van het OM. De Hoge Raad maakt duidelijk dat een verklaring niet als “onvoldoende geconcretiseerd” mag worden gepasseerd enkel omdat het overgelegde stuk één relevant element — hier: het moment waarop de lening is aangegaan — niet uitwijst. Juist dat element was verifieerbaar en had via nader onderzoek door het OM kunnen worden opgehelderd; wie die weg afsnijdt, moet motiveren waarom daarvoor onvoldoende aanknopingspunten bestonden. Onvolledigheid van de onderbouwing is dus geen vrijbrief om de onderzoeksplicht van het OM te passeren: de bewijslast blijft bij het OM en er is geen omkering.
Daarmee bevestigt het arrest de lijn van HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1005, waarin een met stukken onderbouwde herkomstverklaring evenmin zonder deugdelijke motivering als onverifieerbaar terzijde mocht worden gesteld, en sluit het aan bij de bredere motiveringslat voor witwasbewijsoordelen (vgl. HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:691, en de eis dat redengevende feiten en omstandigheden met voldoende nauwkeurigheid aan wettige bewijsmiddelen worden ontleend, HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:846).
Voor de praktijk is de zaak bovendien een schoolvoorbeeld van de kasopstelling-achtige vermogensvergelijking als witwasbewijs in de hoofdzaak (vgl. HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1605): de betwisting loopt via de inhoud van de opstelling — hier de post legale middelen — met dezelfde verklaringsmaatstaf. Voor het OM betekent dit: neem een aangedragen, met een stuk onderbouwd alternatief serieus en documenteer het onderzoek (of motiveer waarom onderzoek zinloos is). Voor de verdediging: een concreet, aan een bestaande kredietverstrekker gekoppeld leningsverhaal met schriftelijke onderbouwing dwingt tot respons. De kwalificatie-uitsluitingsgrond en de datumgrens van 1 januari 2017 spelen in deze zaak geen rol; het geschil betreft uitsluitend het bewijs van de criminele herkomst en de begrijpelijkheid van de verwerping van de herkomstverklaring.
Conclusie A-G
Plaatsvervangend A-G Van Wees (conclusie ECLI:NL:PHR:2024:628) concludeerde dat de middelen 1 tot en met 3 en 5 falen en met artikel 81 RO kunnen worden afgedaan, maar dat de middelen 4 en 6 slagen. Op het vierde middel: het oordeel van het hof dat de Defam-leningsverklaring onvoldoende was geconcretiseerd, is niet zonder meer begrijpelijk, nu de verdachte met een concrete verwijzing naar een lening bij een bestaande kredietverstrekker de legale herkomst van een deel van het bedrag heeft gesteld en het OM daarnaar nader onderzoek had kunnen doen (kader ECLI:NL:HR:2018:2352). De conclusie strekt tot vernietiging ten aanzien van feit 3 en de strafoplegging, met terugwijzing.
De Hoge Raad volgt de advocaat-generaal: de middelen 1 tot en met 3 worden met artikel 81 RO verworpen, het vierde middel slaagt op nagenoeg dezelfde grond, en de middelen 5 en 6 blijven gelet op de uitkomst onbesproken.
Eerder op deze site
- Onderbouwde herkomstverklaring niet zomaar onverifieerbaar; vernietiging (ECLI:NL:HR:2022:1005) — Zelfde doctrinaire lijn: een met stukken onderbouwde herkomstverklaring mag niet zonder motivering als onvoldoende concreet of verifieerbaar terzijde worden gesteld en dwingt tot nader onderzoek door het OM.
- Bankwikkels onbesproken: witwasoordeel onbegrijpelijk gemotiveerd (ECLI:NL:HR:2021:691) — Verwant via de motiveringslat: witwasbewijsoordelen die relevant verklarend of ontlastend materiaal onbesproken laten, sneuvelen in cassatie als onbegrijpelijk.