Herkomst voorwerp, niet schuld erflater, bepaalt witwasbewijs (ECLI:NL:HR:2026:955)

ECLI:NL:HR:2026:955 — Hoge Raad, 2026-06-23 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte is door het hof Amsterdam veroordeeld voor gewoontewitwassen (art. 420ter Sr): ruim € 108.000 aan contante stortingen op eigen bankrekeningen en contante betalingen voor auto’s, een liposuctie en meubels, terwijl hij en zijn partner een inkomen op uitkeringsniveau hadden. Het hof paste het witwasvermoeden-kader toe en achtte de herkomstverklaringen (verkoop onroerend goed in Suriname, steun van vader, leningen) ontoereikend, behoudens een lening van € 30.000 die door vermenging geen soelaas bood. Het hof sprak wél vrij van het witwassen van een Mercedes uit de erfenis van een overleden derde: de onschuldpresumptie (art. 6 lid 2 EVRM) zou eraan in de weg staan postuum vast te stellen dat diens vermogen crimineel was.

Zowel het openbaar ministerie als de verdachte stelde cassatie in. Het OM-middel tegen de vrijspraak slaagt. De Hoge Raad stelt het volledige kader van het witwasvermoeden voorop en oordeelt dat het hof heeft miskend dat voor het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet vereist is dat blijkt door wie, wanneer en waar het gronddelict is begaan: het hof had slechts te beoordelen of de Mercedes als zodanig uit enig misdrijf afkomstig was, niet of de overledene persoonlijk een strafrechtelijk verwijt treft. Ook het eerste verdachtenmiddel, over de motivering van het medeplegen van het verhullen van twee Rolex-horloges, slaagt. De Hoge Raad vernietigt ten aanzien van zaak A feit 1 en de strafoplegging en wijst terug naar het hof Amsterdam.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest ligt vol in de bewijslijn van het ankerarrest HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, in de moderne herformulering van HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, die de Hoge Raad hier woordelijk vooropstelt. De toegevoegde waarde zit in de toepassing op een erfenis-casus: mag de rechter de criminele herkomst van een voorwerp vaststellen als het waarschijnlijke gronddelict door een overleden, nooit vervolgde of veroordeelde derde is gepleegd?

De Hoge Raad bevestigt en scherpt aan dat “uit enig misdrijf afkomstig” een zaaksgericht, geen dadergericht bestanddeel is. Niet vereist is dat uit de bewijsmiddelen blijkt door wie, wanneer en waar het gronddelict is begaan (HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124); de rechter beoordeelt de herkomst van het vóórwerp, niet de persoonlijke strafrechtelijke aansprakelijkheid van een derde (vgl. HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712). De onschuldpresumptie van een overleden vermoedelijke gronddader staat daaraan dus niet categorisch in de weg. Dat is geen koerswijziging, maar een belangrijke bevestiging in een weinig uitgekristalliseerd grensgeval. Het hof signaleerde zelf het “maatschappelijk onwenselijke gevolg” dat crimineel vermogen door overlijden van de niet-veroordeelde eigenaar via erfgenamen de legale economie zou inlopen; de Hoge Raad sluit dat gat grotendeels.

Opvallend is het routeverschil met de conclusie. A-G Van Wees bouwde een volledig EVRM-kader op (Schutznorm, het “charged”-vereiste, de voorwaarden voor rechterlijke uitlatingen over derden, vgl. HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:839). De Hoge Raad laat dat uitdrukkelijk in het midden (“nog los van”) en beslist zuiver witwasrechtelijk. Voor de praktijk betekent dit dat de feitenrechter de EVRM-discussie niet eens hoeft te bereiken zolang hij zaaksgericht formuleert; het EHRM-kader blijft wel een zinvolle vuistregel voor de bewoordingen van het vonnis.

De tweede laag betreft de motiveringslijn: de bewezenverklaring van het medeplegen van het verhullen van twee Rolex-horloges steunde op weinig meer dan het aantreffen van één horloge bij de aanhouding en sneuvelt op een motiveringsgebrek, in lijn met de eis dat redengevende feiten en omstandigheden met voldoende nauwkeurigheid aan wettige bewijsmiddelen worden ontleend (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:846 uit dezelfde bewijslijn). Omdat het hof de tenlastelegging als één gewoontewitwassen over de gehele reeks voorwerpen had gelezen, valt daarmee de volledige bewezenverklaring van zaak A feit 1. De kwalificatie-uitsluitingsgrond en de datumgrens van 1 januari 2017 spelen in deze zaak niet: er is geen eigen-misdrijfproblematiek, maar een klassieke onverklaard-vermogenszaak.

Conclusie A-G

A-G Van Wees concludeerde tot vernietiging wat betreft zaak A feit 1 en de strafoplegging, terugwijzing naar het hof Amsterdam en verwerping voor het overige. Bij het OM-middel koos de advocaat-generaal een uitvoerige EVRM-route: de verdachte komt in beginsel geen beroep toe op schending van de onschuldpresumptie van een ander, het is twijfelachtig of de overledene ooit “charged” was in de zin van art. 6 lid 2 EVRM, en zelfs bij toepasselijkheid mag de rechter onder voorwaarden oordelen over feiten die een derde raken (vgl. ECLI:NL:HR:2022:839); het categorische oordeel van het hof getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting. Het eerste verdachtenmiddel (Rolex-horloges) achtte de advocaat-generaal gegrond wegens een motiveringsgebrek.

De Hoge Raad volgt de conclusie integraal in de uitkomst, en verwijst voor het horloge-middel zelfs naar de redenen in de conclusie. Bij het OM-middel kiest de Hoge Raad echter een kortere, zuiver witwasrechtelijke route: “nog los van” de EVRM-beschouwingen heeft het hof miskend dat alleen de herkomst van het voorwerp zelf ter beoordeling stond.