ECLI:NL:HR:2024:1290 — Hoge Raad, 2024-09-24 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
Beklagbeschikking (art. 98 lid 4 jo. 552a Sv) in het witwasonderzoek ‘Ambon’ tegen een notaris, diens kantoor en een notarieel medewerker. De verdenking betreft het gewoonte maken van het opzettelijk niet melden van ongebruikelijke transacties (art. 16 Wwft) en (schuld/gewoonte)witwassen rond 409 transacties, waaronder ABC-transacties met onverklaarbare prijsverschillen en atypische hypothecaire leningen via de derdengeldrekening. Bij de medewerker zijn gegevensdragers in beslag genomen waarin ook stukken zaten van twee niet-verdachte oud-notarissen; de klager is waarnemer van hun protocol. De rechtbank verklaarde zijn beklag ongegrond: de eerder ten aanzien van de verdachte notaris aangenomen zeer uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigden volgens haar ook doorbreking van het verschoningsrecht van de klager.
Het eerste middel (art. 13 EVRM) wordt met art. 81 lid 1 RO afgedaan. Het tweede middel slaagt. Onder verwijzing naar het kader van ECLI:NL:HR:2007:BA5665 oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank haar oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd: zij mocht niet volstaan met een verwijzing naar het eerdere doorbrekingsoordeel jegens de verdachte notaris, maar had — mede aan de hand van de aard en inhoud van het materiaal en de mate waarin de belangen van de cliënten van de oud-notarissen worden geschaad — moeten onderzoeken of specifiek in relatie tot het verschoningsrecht van déze klager zeer uitzonderlijke omstandigheden bestaan. Vernietiging en terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam.
Betekenis voor de praktijk
Deze beschikking raakt niet de bestanddelen van art. 420bis e.v. Sr, maar de bewijsvergaringsfase van een groot witwasonderzoek tegen een poortwachter. De ankerarresten uit het materiële witwasrecht (het witwasvermoeden en de kwalificatie-uitsluitingsgrond) spelen hier dan ook niet rechtstreeks; de witwas- en Wwft-verdenking vormt de context, het beslispunt is het professionele verschoningsrecht bij beslag.
De kernregel die de Hoge Raad aanscherpt: de doorbreking van het verschoningsrecht van een verdachte geheimhouder werkt niet automatisch door naar derde-verschoningsgerechtigden wier gegevens zich in hetzelfde beslag bevinden. De beklagrechter moet per verschoningsgerechtigde afzonderlijk, aan de hand van de factoren uit ECLI:NL:HR:2007:BA5665 (aard en ernst van het feit, aard en inhoud van het materiaal, schade aan de cliëntbelangen, en de vraag of de gegevens niet anders kunnen worden verkregen), motiveren dat óók ten aanzien van die geheimhouder zeer uitzonderlijke omstandigheden bestaan. Een verwijzing naar het eerdere — in cassatie stand gehouden (ECLI:NL:HR:2023:612) — doorbrekingsoordeel jegens de verdachte notaris volstaat niet.
Doctrinair is dit een precisering van de bestaande lijn, geen koerswijziging. De HR kiest bovendien een smallere route dan A-G Spronken, die de principiële vraag opwierp of doorbreking bij een niet-verdachte advocaat of notaris überhaupt mogelijk is en primair een onjuiste rechtsopvatting aannam. De HR laat die rechtsvraag open en casseert op een motiveringsgebrek. Daarmee blijft de mogelijkheid van doorbreking bij een niet-verdachte notaris theoretisch bestaan, maar geldt een zware, per geheimhouder toegesneden motiveringsplicht. Het sluit aan bij de eigen onderzoeksplicht van de beklagrechter naar aard en inhoud van geheimhouderstukken (vgl. ECLI:NL:HR:2016:1027) en bij het kader voor doorbreking bij een van (gewoonte)witwassen verdachte geheimhouder (ECLI:NL:HR:2005:AT4418).
Voor de witwaspraktijk is de betekenis vooral operationeel: in onderzoeken naar notarissen en andere poortwachters — waar de Wwft-meldplicht het flankerend instrumentarium van de witwasbestrijding vormt — sleept bulkbeslag op gegevensdragers vrijwel onvermijdelijk materiaal van andere geheimhouders mee. OM en rechter-commissaris doen er verstandig aan reeds bij de filtering en vrijgave per (derde-)verschoningsgerechtigde de BA5665-factoren te documenteren; de verdediging van derde-geheimhouders krijgt met deze beschikking een scherp aanknopingspunt tegen ‘meeliftende’ doorbrekingsoordelen.
Conclusie A-G
A-G Spronken concludeerde tot vernietiging en terugwijzing. Het eerste middel (art. 13 EVRM) faalt volgens de advocaat-generaal omdat art. 13 EVRM accessoir is en de beklagprocedure zelf het effectieve rechtsmiddel vormt. Het tweede middel slaagt: de A-G stelde de principiële vraag centraal of doorbreking van het verschoningsrecht wegens zeer uitzonderlijke omstandigheden mogelijk is jegens een geheimhouder die zelf geen verdachte is — bij advocaten en notarissen zonder precedent — en achtte het oordeel van de rechtbank primair getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, subsidiair onbegrijpelijk gemotiveerd.
De Hoge Raad volgt de A-G in de uitkomst (81 RO voor middel 1; vernietiging en terugwijzing op middel 2), maar kiest een smallere route: geen antwoord op de principiële rechtsvraag, wel een motiveringsgebrek omdat een zelfstandige, op de klager toegesneden afweging ontbreekt.
Eerder op deze site
- Onderzoeksbelang medeverdachten mag meewegen bij doorbreking verschoningsrecht (ECLI:NL:HR:2005:AT4418) — Zelfde toetsingskader 'zeer uitzonderlijke omstandigheden' bij een van (gewoonte)witwassen verdachte geheimhouder; nuttig contrast omdat de geheimhouder daar zelf verdachte was en hier niet.
- Beklagrechter moet aard van geheimhouderstukken zelf vaststellen (ECLI:NL:HR:2016:1027) — Verwant op de eigen onderzoeksplicht van de beklagrechter naar aard en inhoud van geheimhouderstukken — precies het manco dat de Hoge Raad hier bij de rechtbank aanwijst.