ECLI:NL:HR:2024:887 — Hoge Raad, 2024-06-25 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
Bitcoinzaak uit het IJsberg-onderzoek. De verdachte verkocht als vendor in 2015 1.887,81 bitcoins (circa € 464.000) tegen contant geld aan een medeverdachte. Het hof Den Haag veroordeelde slechts voor schuldwitwassen (onderdeel b) en sprak vrij van het verbergen/verhullen (onderdeel a); zowel de verdachte als het openbaar ministerie ging in cassatie.
Twee OM-middelen slagen. Ten eerste heeft het hof, door vrij te spreken van opzetwitwassen, zonder motivering het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van het OM over het noodzakelijkheidsbewustzijn van de verdachte gepasseerd; dat schendt artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Ten tweede getuigt de vrijspraak van onderdeel a van een te beperkte uitleg van het bestanddeel ‘verbergt of verhult’: het hof achtte beslissend dat de verdachte de herkomst niet heeft willen verhullen, terwijl blijkens de wetsgeschiedenis de objectieve strekking en het verhullende effect van de gedragingen bepalend zijn, niet het oogmerk van de dader (vgl. ECLI:NL:HR:2017:236). Daarmee heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten. De Hoge Raad bevestigt terloops dat het hof bitcoins terecht als ‘voorwerpen’ in de zin van art. 420bis/420quater Sr heeft aangemerkt.
De Hoge Raad vernietigt uitsluitend ten aanzien van feit 1 en de strafoplegging en wijst terug naar het hof Den Haag; de beroepen worden voor het overige verworpen (verdedigingsmiddelen deels met art. 81 RO).
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest is een precisering binnen de lijn over het bestanddeel ‘verbergen of verhullen’ (art. 420bis/420quater lid 1, aanhef en onder a, Sr), met als kernarrest ECLI:NL:HR:2017:236: verhullen vereist gedragingen die erop zijn gericht het zicht op onder meer de herkomst te bemoeilijken én daartoe geschikt zijn. De Hoge Raad maakt nu, met uitvoerige citaten uit de wetsgeschiedenis, expliciet dat die gerichtheid objectief moet worden opgevat: bepalend is de objectieve strekking en het verhullende effect van het handelen, niet de subjectieve geestesgesteldheid of het oogmerk van de verdachte. Een feitenrechter die vrijspreekt omdat de verdachte de herkomst niet heeft ‘willen’ verhullen, legt het bestanddeel te beperkt uit en verlaat daarmee de grondslag van de tenlastelegging — een rechtsklacht die vol wordt getoetst. Opvallend is dat de Hoge Raad hier scherper doorpakt dan A-G Aben, die de hofmotivering nog als feitelijk bewijsoordeel binnen het kader van 2017:236 wilde redden.
De tweede pijler is processueel: de responsieplicht van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv geldt onverkort bij deelvrijspraken ten gunste van schuldwitwassen. Een gemotiveerd requisitoir over noodzakelijkheidsbewustzijn (grote contante bedragen, ontmoetingen op openbare plekken, economisch onverklaarbare commissies, gegarandeerde anonimiteit — de klassieke witwastypologieën) mag niet stilzwijgend worden gepasseerd door alleen culpoos witwassen aan te nemen.
Voor de cryptopraktijk is de terloopse maar uitdrukkelijke bevestiging dat bitcoins ‘voorwerpen’ zijn in de zin van de witwasbepalingen (r.o. 3.7) een nuttig ankerpunt, in lijn met eerdere rechtspraak over het omzetten van geld in bitcoins (ECLI:NL:HR:2020:1171).
Wat het arrest níét beslist: of het omwisselen van bitcoins tegen contant geld onder deze omstandigheden daadwerkelijk verhullen oplevert, en of de kwalificatie-uitsluitingsgrond standhoudt. Het OM-middel daarover blijft onbesproken; na terugwijzing ligt feit 1 integraal opnieuw voor. De pleegperiode (2015) valt vóór de datumgrens van 1 januari 2017, zodat bij enkel verwerven/voorhanden hebben uit eigen misdrijf zonder verhullingsgerichte gedraging het pre-2017-regime van de kwalificatie-uitsluitingsgrond geldt (geen terugval op eenvoudig witwassen, art. 420bis.1 Sr) — het scharnierpunt uit het overzichtsarrest van 13 december 2016. Het arrest is op dezelfde dag gewezen als de zusterzaak ECLI:NL:HR:2024:888 uit hetzelfde onderzoek; deze zaak voegt daaraan toe dat de verdachte zelf vendor was met bewezen eigen gronddelicten, waardoor de eigen-misdrijfproblematiek hier op scherp staat.
Conclusie A-G
A-G Aben (ECLI:NL:PHR:2024:214) concludeerde tot verwerping van alle OM-middelen en van de eerste twee verdedigingsmiddelen; alleen het redelijketermijnmiddel van de verdachte zou tot strafvermindering leiden. De A-G las de vrijspraak van het verhullen als een feitelijk, niet onbegrijpelijk bewijsoordeel binnen het kader van ECLI:NL:HR:2017:236 en zag in het requisitoir geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over specifiek het opzet. De Hoge Raad wijkt op beide punten af: het requisitoir over noodzakelijkheidsbewustzijn was wél een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, en de formulering van het hof (‘willen verhullen’) getuigt van een te beperkte, subjectieve uitleg van het objectieve bestanddeel ‘verbergt of verhult’. De conclusie bevat daarnaast een uitvoerig kader over bitcoins als ‘voorwerp’; op dat punt volgt de Hoge Raad de A-G terloops (’terecht’).
Eerder op deze site
- Leugen over herkomst is pas verhullen als die daartoe geschikt is (ECLI:NL:HR:2017:236) — Kernarrest over de maatstaf gerichtheid en geschiktheid van verbergen/verhullen, waarnaar de Hoge Raad in r.o. 3.6 expliciet verwijst en die hier objectief wordt gepreciseerd.
- Vrijspraken verhullen en opzetwitwassen bij bitcoins vernietigd (ECLI:NL:HR:2024:888) — Op dezelfde dag gewezen zusterzaak uit het IJsberg-onderzoek met identieke thematiek; deze zaak voegt de positie van de verdachte als vendor met eigen gronddelicten toe.