EncroChat-bewijs via JIT blijft bruikbaar; HR preciseert art. 31 (ECLI:NL:HR:2026:650)

ECLI:NL:HR:2026:650 — Hoge Raad, 2026-04-14 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

Verdachte is door het hof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen ex art. 10a Opiumwet en voor medeplegen van gewoontewitwassen van € 6.850.000. Het bewijs steunt in overwegende mate op EncroChat-berichten, verkregen via een Frans-Nederlands joint investigation team (JIT). In cassatie richt het vierde middel zich tegen de afwijzing door het hof van onderzoekswensen die de verdediging baseerde op CJEU 30 april 2024, C-670/22 (M.N., EncroChat): zonder voorafgaande notificatie aan Nederland (art. 31 Richtlijn 2014/41/EU) zou de interceptie onrechtmatig zijn geweest. De Hoge Raad zet, voorafgaand aan de middelbespreking, in een uitgebreid juridisch kader de betekenis van dat CJEU-arrest uiteen voor het toetsingskader uit zijn eigen prejudiciële beslissing van 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913. De Hoge Raad preciseert dat art. 31 van de richtlijn niet louter de soevereiniteit van de genotificeerde lidstaat beschermt, maar ook de rechten van de getroffen gebruiker. Omdat de EncroChat-data in dit geval echter niet via een Europees onderzoeksbevel maar binnen een JIT zijn uitgewisseld, is de richtlijn — en dus de notificatieplicht — op grond van art. 3 daarvan niet van toepassing. Het middel faalt. Het middel over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie slaagt wel; de gevangenisstraf wordt verminderd.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest raakt niet de witwas-bestanddelen zelf — er speelt geen kwalificatie-uitsluitingsgrond, geen witwasvermoeden/verklaringsplicht-toets en geen vraag naar eenvoudig versus gewoon (gewoonte)witwassen — ondanks de onderliggende veroordeling voor gewoontewitwassen van ruim € 6,8 miljoen. De ankerarresten uit de witwasdogmatiek (HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787) zijn hier dan ook niet in het geding. Het gewicht van het arrest ligt in het domein van de internationale bewijsgaring, dat in de praktijk vaak de ruggengraat vormt van grootschalige witwas- en drugszaken die op EncroChat-materiaal steunen.

De Hoge Raad benut de zaak voor een zelfstandige, ambtshalve rechtsontwikkeling: in een apart hoofdstuk ‘Juridisch kader’, functioneel vergelijkbaar met de klassieke figuur van ‘aan de beoordeling van de middelen voorafgaande overwegingen’, duidt hij de betekenis van CJEU 30 april 2024 (C-670/22, M.N.) voor het toetsingskader uit zijn eigen prejudiciële beslissing van 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913. Dat kader werd voor het eerst toegepast in ECLI:NL:HR:2024:192. De precisering is inhoudelijk beperkt maar principieel: rechtsoverweging 6.23.4 van HR 2023:913 wordt bijgesteld omdat art. 31 Richtlijn 2014/41/EU volgens het Hof van Justitie niet uitsluitend de soevereiniteit van de genotificeerde lidstaat beschermt, maar ook de rechten van de gebruiker op wie de interceptie is gericht. Dit is een precisering, geen koerswijziging: de Hoge Raad corrigeert een te beperkte lezing van zijn eigen eerdere overweging in het licht van nieuwe rechtspraak van het Hof van Justitie.

Die precisering redt de verdediging in casu niet. Omdat de EncroChat-data niet via een Europees onderzoeksbevel maar binnen een joint investigation team zijn gedeeld, valt de bewijsgaring op grond van art. 3 van de richtlijn buiten het bereik van Richtlijn 2014/41/EU — en dus ook buiten de notificatie-eis van art. 31. Het vertrouwensbeginsel-kader van HR 2023:913 (geen toetsing door de Nederlandse rechter van onder buitenlandse verantwoordelijkheid verricht onderzoek, behoudens onherroepelijke buitenlandse vaststelling van onrechtmatigheid) blijft voor JIT-constructies dus onverkort van kracht. Het arrest markeert daarmee een grensgeval: het scherpt het EU-rechtelijke kader rond art. 31 aan, maar bevestigt tegelijk de robuustheid van de bestaande EncroChat-jurisprudentielijn zolang met een JIT — in plaats van een EOB — is gewerkt. Voor de witwaspraktijk is de praktische boodschap dat de bewijsbasis van veel lopende EncroChat-gerelateerde witwaszaken, waarin doorgaans eveneens JIT-constructies zijn gebruikt, door dit arrest niet wordt ondergraven.

Conclusie A-G

A-G Sinnige concludeerde tot verwerping van elf van de twaalf middelen, waaronder het vierde middel over de afwijzing van de EncroChat/JIT/EOB-onderzoekswensen: de richtlijn en de notificatie-eis van art. 31 zijn volgens de A-G niet van toepassing op bewijsgaring in JIT-verband, en het subsidiaire verzoek om prejudiciële vragen werd afgewezen omdat de bij het Franse Cour de Cassation aanhangige verwijzing (C-625/25) een wezenlijk andere situatie betreft. Het twaalfde middel (overschrijding redelijke termijn in cassatie) achtte de A-G gegrond, met het advies de gevangenisstraf te verminderen. De Hoge Raad volgt de advocaat-generaal in de uitkomst volledig, maar kiest ervoor het toetsingskader uit ECLI:NL:HR:2023:913 eerst zelfstandig te preciseren in een apart juridisch kader, waar de A-G volstond met toepassing van het bestaande kader — inhoudelijk dus een iets scherpere rechtsontwikkeling met hetzelfde eindresultaat.