Witwassen vereist een voorwerp dat – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig is. Hoe stelt de rechter die criminele herkomst vast als geen concreet gronddelict is aan te wijzen? Deze pagina laat de bronnen zelf spreken: de wettekst, de wetsgeschiedenis en de dragende rechtsoverwegingen van de Hoge Raad, met korte verbindende noten. Weglatingen zijn gemarkeerd met […].
1. Wettekst en wetsgeschiedenis
Als schuldig aan witwassen wordt gestraft (…) hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.
Art. 420bis lid 1, aanhef en onder b, Sr
Voldoende is dat wordt (tenlastegelegd en) bewezen dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Niet vereist is dat de rechter identificeert welk misdrijf precies aan het voorwerp ten grondslag ligt. Vaak zal dit niet mogelijk zijn, terwijl het ook niet relevant is voor de strafwaardigheid van het witwassen. Gaat het bijvoorbeeld om handelingen van verdachte Y ten aanzien van een bankrekening waarop hij en zijn compaan opbrengsten van hun verschillende criminele activiteiten (mensenhandel, afpersing, drugshandel) plachten te storten, maar is niet duidelijk uit welke van die activiteiten de betrokken gelden afkomstig waren (wellicht uit allemaal), dan kan niettemin bewezen worden geacht dat die gelden uit enig misdrijf afkomstig waren.
Memorie van toelichting, Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 16
2. De grondregel: geen nauwkeurig aangeduid misdrijf vereist
Een geldkoerier wordt op Schiphol aangehouden met € 24.000 in pakketjes onder zijn kleding, op weg naar Bonaire. In cassatie wordt betoogd dat de bewezenverklaring niet kan steunen op ‘enig misdrijf’: er zou een nauwkeurig aangeduid misdrijf moeten vaststaan. De Hoge Raad verwerpt die opvatting.
3.5. Aan het middel ligt, mede blijkens de toelichting, de opvatting ten grondslag dat voor een bewezenverklaring van het in de op art. 420bis, eerste lid onder b, Sr toegesneden tenlastelegging opgenomen onderdeel “afkomstig uit enig misdrijf” is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Die opvatting kan, gelet op doel en strekking van de onderhavige wetsbepaling en mede in het licht van de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis, niet als juist worden aanvaard. Dat betekent ook dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.
3.6.1. Blijkens de bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte pakketjes met bankbiljetten, tot in totaal € 24.000,–, onder zijn kleding had verborgen en in zijn kleding bij zich had, dat hij dacht dat het geld niet van eerlijk werken kwam omdat het zo’n groot bedrag was en van drugs of stelen afkomstig was, dat hij dit bedrag in opdracht van zijn opdrachtgever, van wie hij de eveneens bij hem aangetroffen drugs had gekregen, naar Bonaire moest brengen, waarbij de opdrachtgever zijn reis had geregeld en het ticket voor hem had gekocht en hem had opgedragen het geld te verbergen op zijn lichaam en het geld en de drugs op Bonaire af te geven aan een persoon die hem aan zijn kleding zou herkennen en in het geval hij zou worden gepakt niet te zeggen van wie het geld was.
3.6.2. Het Hof heeft kennelijk hieruit afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat het desbetreffende geldbedrag in de gegeven omstandigheden – middellijk of onmiddellijk – uit enig misdrijf afkomstig was als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder b, Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, het is toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124
Noot 1. Zie de bespreking van dit arrest op deze site. De in r.o. 3.6.1 opgesomde omstandigheden – contant geld verborgen op het lichaam, een geregisseerde koeriersreis, anonieme afgifte, een zwijginstructie – zijn avant la lettre de witwastypologieën die later standaard het witwasvermoeden voeden.
3. Het witwasvermoeden en de verklaring van de verdachte
Zes jaar later normeert de Hoge Raad het bewijsrechtelijke samenspel. Een verdachte had grote contante bedragen naar buitenlandse investeringsmaatschappijen vervoerd; het hof nam een vermoeden van witwassen aan, maar sprak vrij omdat de verdachte een concrete herkomstverklaring had gegeven waarnaar het openbaar ministerie geen onderzoek had gedaan. Het OM-cassatieberoep wordt verworpen.
2.5. Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld “uit enig misdrijf afkomstig is”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.
2.6. De omstandigheid dat […] de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen en dat, gelet daarop, “van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld”, leidt er niet zonder meer toe dat het dan aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat, naar het Hof heeft vastgesteld, de door de verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van het geld niet zo onwaarschijnlijk is dat zij bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer terzijde behoort te worden gesteld, is ’s Hofs oordeel [dat vrijspraak moet volgen] niet onbegrijpelijk.
HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787
Noot 2. De kern van r.o. 2.6: het vermoeden verplaatst de bewijslast niet. Een verklaring die niet volslagen onwaarschijnlijk is, mag niet zonder meer terzijde worden gesteld; dan ligt nader onderzoek op de weg van het openbaar ministerie.
4. Het stappenschema
In 2018 vat de Hoge Raad zijn rechtspraak samen in het schema dat sindsdien woordelijk in de arresten terugkeert.
2.3.2. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.
HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352
Noot 3. In de zaak zelf strandde het hofoordeel overigens op de toepassing: de verdachte had met een concrete verwijzing naar zijn inkomsten uit arbeid een legale herkomst gesteld, zodat het oordeel dat een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring ontbrak, niet zonder meer begrijpelijk was.
Noot 4. Voor de kasopstelling als witwasbewijs gelden geen andere maatstaven; het grondpatroon is hetzelfde (ECLI:NL:HR:2023:1605).
5. Zaaksgericht, niet dadergericht
De reikwijdte van het schema blijkt in een erfeniszaak. Het hof sprak vrij van het witwassen van een Mercedes uit de nalatenschap van een overleden derde: de onschuldpresumptie (art. 6 lid 2 EVRM) zou eraan in de weg staan postuum vast te stellen dat diens vermogen crimineel was. De Hoge Raad stelt het volledige kader voorop (r.o. 3.3.1–3.3.2, woordelijk gelijk aan de hierboven geciteerde overwegingen) en casseert.
3.4.2. Op deze overwegingen heeft het hof gebaseerd dat het “verder geen oordeel kan en zal geven aangaande de al dan niet criminele herkomst van het vermogen van [naam 1] en de hier in geding zijnde Mercedes”. Het hof heeft de verdachte vervolgens vrijgesproken van, kort gezegd, het witwassen van de Mercedes. Daarmee heeft het hof, nog los van wat in de conclusie van de advocaat-generaal […] naar voren is gebracht over artikel 6 lid 2 EVRM, miskend wat onder 3.3 is vooropgesteld. Het hof had slechts te beoordelen of de Mercedes als zodanig uit enig misdrijf afkomstig was en niet of [naam 1] persoonlijk in verband daarmee een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712, rechtsoverweging 7.2.)
HR 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:955
Noot 5. Zie de bespreking van dit arrest op deze site. Het bestanddeel is zaaksgericht: beoordeeld wordt de herkomst van het vóórwerp, niet de persoonlijke strafrechtelijke aansprakelijkheid van een (overleden) derde. De EVRM-vraag laat de Hoge Raad uitdrukkelijk rusten (“nog los van”).
Noot 6. De spiegel in het beslagrecht: bij conservatoir anderbeslag (art. 94a lid 3 Sv) hanteert de wet de maatstaf ‘wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat het voorwerp van enig misdrijf afkomstig was’ – materieel de subjectieve maatstaf van schuldwitwassen – en volstaat in raadkamer een summiere toets. Zie de bespreking van ECLI:NL:HR:2005:AT8049.
Vragen
- In BM0787 (r.o. 2.6) mocht het hof vrijspreken omdat het openbaar ministerie geen onderzoek had gedaan naar de herkomstverklaring. Waar ligt precies de grens tussen het ‘verlangen’ van een verklaring en een verkapte omkering van de bewijslast?
- Het stappenschema eist een ‘concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke’ verklaring. Is dat één cumulatieve toets of drie zelfstandige afwijzingsgronden – en maakt dat praktisch verschil?
- Na HR 23 juni 2026 (de erfeniszaak) mag de rechter de herkomst van een voorwerp vaststellen zonder oordeel over de schuld van de overleden vermoedelijke gronddader. Kan een zaaksgerichte formulering niettemin feitelijk neerkomen op een postume schuldvaststelling, en welke eisen stelt art. 6 lid 2 EVRM dan aan de bewoordingen van het vonnis?
- De omstandigheden uit AP2124 (r.o. 3.6.1) rechtvaardigen het vermoeden in onderlinge samenhang. Welke van die omstandigheden zou, op zichzelf genomen, het vermoeden niet kunnen dragen – en waarom?
Alle besprekingen in de rubriek ‘Afkomstig uit enig misdrijf & witwasvermoeden’ →
Rechterlijke uitspraken zijn van auteursrecht uitgezonderd (art. 11 Auteurswet); de citaten zijn woordelijk overgenomen van rechtspraak.nl. Laatst bijgewerkt op 21 juli 2026. Deze pagina wordt aangevuld naarmate nieuwe besprekingen verschijnen.