Bewezenverklaring wijkt af van tenlastelegging: grondslag verlaten (ECLI:NL:HR:2026:941)

ECLI:NL:HR:2026:941 — Hoge Raad, 2026-06-23 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte werd door het hof ’s-Hertogenbosch veroordeeld wegens witwassen ter zake van een geldbedrag van bijna € 40.000. De tenlastelegging was toegesneden op artikel 420bis lid 1, onderdeel a, Sr: het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding of verplaatsing van het geldbedrag, dan wel het verbergen of verhullen van de rechthebbende of van wie het voorhanden had. Het hof verklaarde echter bewezen dat de verdachte het geldbedrag voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat het uit misdrijf afkomstig was — een gedraging die onder onderdeel b van hetzelfde artikellid valt.

Het cassatiemiddel klaagde dat het hof daarmee de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. De Hoge Raad stelt vast dat de tenlastelegging is toegesneden op onderdeel a, terwijl het bewezenverklaarde onder onderdeel b is strafbaar gesteld, zodat het hof iets anders heeft bewezenverklaard dan was tenlastegelegd. Het middel slaagt. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor nieuwe berechting en afdoening.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest bevat geen nieuwe uitleg van een materieel witwasbestanddeel, maar is een zuivere toepassing van de grondslagleer op de tweedeling binnen artikel 420bis lid 1 Sr. Die tweedeling is echter niet louter redactioneel: onderdeel a (verbergen/verhullen) en onderdeel b (verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruik maken) zijn wezenlijk verschillende delictsgedragingen, met verschillende dogmatische gevolgen. De kwalificatie-uitsluitingsgrond en de daaraan verbonden verzwaarde motiveringseis bij verwerven/voorhanden hebben van een voorwerp uit eigen misdrijf gelden volgens vaste rechtspraak alleen voor onderdeel b, niet voor onderdeel a. Een rechter die — zoals hier — feitelijk onderdeel b bewijst terwijl onderdeel a is tenlastegelegd, dreigt dus niet alleen een vormfout te maken, maar kan ook de vraag of de kwalificatie-uitsluitingsgrond aan de orde is, verkeerd positioneren.

Het arrest onderstreept daarmee, zonder dat de Hoge Raad dit expliciet overweegt, waarom het a/b-onderscheid in de tenlasteleggingspraktijk scherp gehouden moet worden. Voor de opsteller van de tenlastelegging en voor de feitenrechter is de les dat verbergen/verhullen enerzijds en verwerven/voorhanden hebben anderzijds niet inwisselbaar zijn, ook al staan zij in hetzelfde artikellid en ook al kunnen zij feitelijk om hetzelfde geldbedrag gaan. De bewezenverklaring moet precies aansluiten bij de gekozen delictsvorm; het is niet voldoende dat de gedraging ergens in artikel 420bis lid 1 Sr valt te plaatsen.

Het gaat hier om een korte, drieledig bezette kamer, zonder voorafgaande overwegingen en zonder 81 RO-formule: de Hoge Raad constateert de discrepantie en trekt de conventionele consequentie (vernietiging en terugwijzing), zonder dat een rechtsvraag van gewicht voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling wordt beantwoord. Het arrest bevestigt daarmee bestaand grondslagleer-recht en heeft geen effect op de bewijsrechtelijke lijn rond het witwasvermoeden (HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787) of op het overzichtsarrest over eenvoudig witwassen (HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842). De betekenis ligt vooral in de praktijk van tenlasteleggingstechniek: dit arrest is een bruikbaar lesvoorbeeld van hoe een onzorgvuldige koppeling tussen tenlastelegging en bewezenverklaring bij witwassen tot cassatie leidt, en waarom het onderscheid tussen de a- en b-variant relevant blijft voor de vraag of de kwalificatie-uitsluitingsgrond in beeld kan komen.

Conclusie A-G

De advocaat-generaal Sinnige concludeerde tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor nieuwe berechting en afdoening. De Hoge Raad volgt dit standpunt volledig: het middel slaagt en de zaak wordt op identieke wijze afgedaan als door de advocaat-generaal geadviseerd.