Geld wegzetten bij derde is verhullen van vindplaats (ECLI:NL:HR:2026:788)

ECLI:NL:HR:2026:788 — Hoge Raad, 2026-05-26 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

Het hof ‘s-Hertogenbosch veroordeelde de verdachte wegens witwassen (art. 420bis lid 1 Sr) omdat hij een geldbedrag van € 32.100 had verhuld door dit achter een plafondplaat in de slaapkamer van de woning van een derde te plaatsen, terwijl hij wist dat het geld – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig was. In cassatie klaagde het tweede middel dat de bewezenverklaring van het ‘verhullen van de vindplaats’ ontoereikend was gemotiveerd. De Hoge Raad herhaalt het criterium uit eerdere rechtspraak: verbergen/verhullen als bedoeld in art. 420bis lid 1 onder a Sr vereist een gedraging die is gericht op het bemoeilijken van het zicht op onder meer de vindplaats, en die daartoe ook geschikt is. Toegepast op deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat het onderbrengen van het geld in de woning van een derde, achter een plafondplaat, het zicht op de vindplaats bemoeilijkt, zodat de bewezenverklaring toereikend is gemotiveerd. Het middel faalt. De overige klachten worden met art. 81 lid 1 RO verworpen. Ambtshalve vermindert de Hoge Raad de opgelegde taakstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, van 120 naar 114 uur.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest is een casuïstische precisering binnen de vaste lijn over verbergen/verhullen als bedoeld in art. 420bis lid 1 onder a Sr, en bevestigt eerder gevormde rechtspraak zonder een nieuwe rechtsregel te formuleren. Het generieke criterium — een gedraging die gericht is op, en geschikt is voor, het bemoeilijken van het zicht op onder meer de vindplaats van een voorwerp — is neergelegd in HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236 en nader ingevuld in HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:462. Dat laatste arrest markeerde de ondergrens: het enkele fysiek verstoppen van geld op het lichaam of onder een autostoel is op zichzelf onvoldoende voor ‘verhullen’; er moet meer bij komen dan de kale verstoppingshandeling.

De onderhavige zaak markeert een grensgeval aan de andere zijde van die lijn. Anders dan bij het meevoeren van geld in kleding of een voertuig, wordt het geldbedrag hier ondergebracht in de woning van een derde — buiten de eigen sfeer van de verdachte. Dat extra element van plaatsing bij een ander sluit aan bij eerdere zaken waarin verhullen wél werd aangenomen: het wegzetten van geld in een speciaal gecreëerde holle ruimte onder een trap (HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:212) en het stallen van motorvoertuigen in de afgesloten tuin van een derde die niet wist dat de voertuigen daar stonden (HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:214). De Hoge Raad volstaat in dit arrest met een compacte feitelijke toepassing van het generieke criterium en bespreekt de precedenten niet expliciet, maar de uitkomst past naadloos in die bandbreedte: onderbrengen bij een derde bemoeilijkt zowel feitelijk het zicht op de vindplaats als de koppeling tussen verdachte en voorwerp.

Voor de praktijk is relevant dat dit arrest opnieuw laat zien dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond hier niet aan de orde is: die geldt uitsluitend voor onderdeel b (verwerven/voorhanden hebben), niet voor onderdeel a (verbergen/verhullen). Nu de bewezenverklaring (mede) op onderdeel a steunt, speelt de discussie over eigen misdrijf en verhullingsgerichtheid uit de KUG-lijn (HR 2013:150 e.v.) geen rol; de vraag is louter of de gedraging zelf de kwalificatie ‘verhullen’ draagt. Het arrest biedt zo een bruikbare afbakeningscasus tussen ‘enkel verstoppen’ (onvoldoende) en ‘verhullen’ (voldoende zodra een voorwerp naar het domein van een derde wordt verplaatst), zonder de bestaande doctrine te wijzigen.

Conclusie A-G

A-G Sinnige concludeerde tot verwerping van beide cassatiemiddelen, met dien verstande dat ambtshalve strafvermindering diende te volgen wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. Bij middel 2 toetste de A-G aan het doelgerichtheids- en geschiktheidscriterium uit HR 2017:236, zoals gepreciseerd in HR 2023:462, en plaatste de zaak — mede aan de hand van HR 2025:212 (holle ruimte onder trap) en HR 2015:214 (voertuigen in tuin van derde) — dichter bij de gevallen waarin verhullen wél werd aangenomen, omdat het geld niet slechts fysiek werd verstopt maar bij een derde werd onderbracht. De Hoge Raad volgt de A-G volledig in structuur en uitkomst: beide middelen falen en de taakstraf wordt verminderd wegens termijnoverschrijding. De Hoge Raad motiveert de toepassing op het tweede middel wel compacter dan de A-G en bespreekt de aangehaalde precedenten niet afzonderlijk.