ECLI:NL:HR:2022:1820 — Hoge Raad, 2022-12-06 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
De verdachte is door het hof Amsterdam veroordeeld voor het medeplegen van oplichting van de Belastingdienst (feit 1): met valse aanvragen kinderopvangtoeslag werd in totaal circa € 370.132 ten onrechte uitgekeerd aan aanvragers, die vervolgens een deel van de ontvangen toeslag — in totaal € 46.800, deels contant, deels giraal via de rekening van de vriend en de dochter van de verdachte — aan de verdachte afstonden. Dat verwerven en voorhanden hebben leverde volgens het hof gewoontewitwassen op (feit 2).
Het eerste cassatiemiddel beroept zich op de rechtspraak over de kwalificatie-uitsluitingsgrond: het enkele verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen is zonder verhullingsgerichte gedraging niet als witwassen kwalificeerbaar. De Hoge Raad stelt dat kader voorop (onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2022:109), maar ook de uitzondering voor ‘middellijk’ afkomstige voorwerpen. Het oordeel van het hof dat de toeslagen eerst bij de aanvragers zijn binnengekomen en vervolgens (voor een deel) zijn doorgeleid naar de verdachte, zodat zij deze gelden ‘middellijk’ uit misdrijf afkomstig heeft verworven en voorhanden gehad, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het middel faalt; de restklachten worden met artikel 81 RO afgedaan.
Het tweede middel over de redelijke termijn in cassatie slaagt: de Hoge Raad vernietigt uitsluitend de strafduur en vermindert de gevangenisstraf van negen maanden tot acht maanden en drie weken.
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest is een instructieve toepassing van de middellijk-precisering binnen de lijn van de kwalificatie-uitsluitingsgrond. De verzwaarde motiveringseis — dat de gedragingen (kennelijk) gericht moeten zijn op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst — geldt alleen bij voorwerpen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Bij ‘middellijk’ verkregen voorwerpen doet het automatisme dat die rechtspraak beoogt tegen te gaan (de pleger van het gronddelict die anders steeds ook witwasser zou zijn) zich niet voor, zodat er in beginsel geen grond is die regels toe te passen. De Hoge Raad herhaalt hier woordelijk het kader uit ECLI:NL:HR:2022:109 en de middellijk-uitzondering, en onderbouwt die met de wetsgeschiedenis van de woorden ‘onmiddellijk of middellijk’.
Nieuw is de regel dus niet; de winst zit in de casuïstische verheldering voor ketenfraude. Bij toeslagen- en uitkeringsfraude waarbij de opbrengst eerst op de rekeningen van aanvragers of katvangers binnenkomt en daarna — contant of giraal — naar de organisator wordt doorgeleid, mag de rechter die doorgeleide gelden als ‘middellijk’ uit (eigen) misdrijf afkomstig aanmerken. Eén doorbetaling via de aanvrager volstaat hier al. Het verweer dat het gaat om enkel verwerven of voorhanden hebben uit eigen misdrijf zonder verhullingshandeling strandt dan integraal, óók voor deelbedragen waarvoor geen enkel verhullingselement is vastgesteld.
Dat laatste maakt het contrast met de conclusie van A-G Spronken zo leerzaam. De advocaat-generaal toetste per deelbedrag of er verhullingsgerichte gedragingen waren en concludeerde tot vernietiging voor de € 18.800 aan contante betalingen waarvoor het hof niets verhullends had vastgesteld. De Hoge Raad snijdt die hele exercitie af bij het herkomstbestanddeel: is het voorwerp middellijk afkomstig, dan komt men aan de verhullingsvraag niet toe. De subsumptievolgorde — eerst onmiddellijk of middellijk, pas daarna de kwalificatie-uitsluitingsgrond — is dus beslissend.
De pleegperiode (2009–2011) ligt vóór de datumgrens van 1 januari 2017, zodat art. 420bis lid 1 (oud) Sr van toepassing is. Omdat de kwalificatie-uitsluitingsgrond hier niet speelt, komt de lex-mitior-vraag rond het per 2017 ingevoerde eenvoudig witwassen niet aan de orde. Ook de gewoon/eenvoudig-afbakening blijft buiten beeld: bij middellijke herkomst is ‘gewoon’ (gewoonte)witwassen zonder verhullingseis kwalificeerbaar. Het arrest markeert daarmee, samen met ECLI:NL:HR:2022:109, twee routes waarlangs de uitsluitingsgrond buiten toepassing blijft: via de delictsgedraging (overdragen/omzetten/gebruikmaken) en via het herkomstbestanddeel (middellijk). Open blijft hoeveel tussenschakels minimaal nodig zijn voor middellijkheid; dit arrest laat zien dat de lat laag ligt zodra het geld eerst bij een ander is binnengekomen.
Conclusie A-G
A-G Spronken las het eerste middel als een beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond en toetste per deelbedrag of het hof verhullingsgerichte gedragingen had vastgesteld. Voor de girale bedragen via de rekeningen van de vriend en de dochter van de verdachte en de aanbetaling op een woning in Suriname achtte de advocaat-generaal de kwalificatie toereikend gemotiveerd, maar voor het resterende bedrag van € 18.800 aan contante betalingen niet. De conclusie strekte daarom tot vernietiging ten aanzien van feit 2 en de strafoplegging, met terugwijzing. De Hoge Raad volgt de A-G niet: omdat de gelden ‘middellijk’ uit misdrijf afkomstig zijn (eerst binnengekomen bij de aanvragers, daarna doorgeleid naar de verdachte), is de verhullingseis in het geheel niet van toepassing en faalt het middel; alleen de redelijke-termijnklacht slaagt.
Eerder op deze site
- Overdragen crimineel geld ontloopt kwalificatie-uitsluitingsgrond (ECLI:NL:HR:2022:109) — Het arrest dat de Hoge Raad hier zelf als vindplaats voor het kader van de kwalificatie-uitsluitingsgrond aanhaalt; samen tonen beide arresten de twee routes waarlangs de uitsluitingsgrond buiten toepassing blijft (delictsgedraging respectievelijk middellijke herkomst).
- Eenvoudig witwassen is geen specialis van gewoon witwassen (ECLI:NL:HR:2021:321) — Contrastverwijzing over de afbakening gewoon/eenvoudig (gewoonte)witwassen langs de verhullingsgerichtheid, een vraag die in de onderhavige zaak niet aan de orde komt omdat de kwalificatie-uitsluitingsgrond bij middellijke herkomst niet speelt.