Doorgesluisd toeslaggeld is middellijk afkomstig uit misdrijf (ECLI:NL:HR:2022:1822)

ECLI:NL:HR:2022:1822 — Hoge Raad, 2022-12-06 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte is door het hof Amsterdam veroordeeld voor het medeplegen van oplichting van de Belastingdienst met valse aanvragen kinderopvangtoeslag (circa € 554.796) en voor gewoontewitwassen van circa € 174.392: de op eigen aanvraag ontvangen toeslag, girale overboekingen van andere aanvragers en contant afgestane bedragen. In haar woning werd € 23.000 contant aangetroffen, dat het hof verbeurd verklaarde omdat het niet anders kon dan uit de bewezen feiten afkomstig zijn.

Het eerste middel klaagde, met een beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond, over de kwalificatie (gewoonte)witwassen ten aanzien van de contante bedragen van € 10.000 en € 13.000. De Hoge Raad verwerpt die klacht. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat het geld bij de verdachte is aangetroffen nadat het als ten onrechte uitbetaalde toeslag giraal door andere aanvragers was ontvangen, vervolgens aan de verdachte is overgedragen en op enig moment in contant geld is omgezet. Het kennelijke oordeel dat het geld daarmee middellijk uit (eigen) misdrijf afkomstig is, zodat de verhullingseis niet geldt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk; het hof hoefde het ‘bijzondere geval’ van omzeiling niet nader te bespreken.

Het tweede middel wordt met artikel 81 RO afgedaan. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie vermindert de Hoge Raad de gevangenisstraf van vijftien maanden tot veertien maanden en één week; het beroep wordt voor het overige verworpen.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest brengt geen nieuwe regel, maar markeert een instructief grensgeval binnen de lijn van de kwalificatie-uitsluitingsgrond (kernarrest ECLI:NL:HR:2013:150, samengevat in het overzichtsarrest ECLI:NL:HR:2016:2842). De verhullingseis — bij verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen uit eigen misdrijf moet uit de motivering een op verbergen of verhullen gericht karakter blijken — geldt alleen bij onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (ECLI:NL:HR:2014:702). De Hoge Raad laat hier zien wanneer die grens is gepasseerd: wanneer de buit van een eigen misdrijf (medeplegen van oplichting) eerst giraal bij een tussenschakel (de toeslagaanvrager) binnenkomt en pas daarna — deels contant gemaakt — aan de verdachte wordt afgestaan, is het geld bij de verdachte middellijk uit misdrijf afkomstig. De doorgeleiding via een derde plus de omzetting van giraal naar chartaal geld volstaat om het automatisme-probleem (de pleger van het gronddelict die ‘automatisch’ witwasser wordt) buiten beeld te houden. Het hof hoefde daarom evenmin te motiveren dat geen sprake was van het ‘bijzondere geval’ van omzeiling uit ECLI:NL:HR:2014:716 en ECLI:NL:HR:2022:109.

Opvallend is dat de Hoge Raad uitdrukkelijk afwijkt van A-G Spronken, die met de steller van het middel tot uitgangspunt nam dat de bedragen onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig waren en daarom tot partiële vernietiging concludeerde. Het verschil zit niet in het toetsingskader — dat citeert de Hoge Raad in r.o. 2.4.3 en 2.4.4 woordelijk — maar in de duiding van de geldstroom. Daarmee illustreert het arrest dat de uitkomst van een KUG-verweer staat of valt met de kwalificatie onmiddellijk/middellijk (vergelijk de begrijpelijkheidsfactoren van ECLI:NL:HR:2014:3618). In de samenhangende zaak van de medeverdachte oordeelde de Hoge Raad op dezelfde datum gelijkluidend (ECLI:NL:HR:2022:1820).

Voor de praktijk betekent dit dat bij fraudeketens waarin de buit via katvangers, aanvragers of andere tussenschakels wordt doorgesluisd, de ‘middellijk’-route voor het openbaar ministerie een effectieve manier is om de verhullingseis en de verzwaarde motiveringsplicht te vermijden; de verdediging zal de herkomstketen juist zo kort mogelijk moeten construeren. Omdat de pleegperiode 2009-2010 betreft (pre-1-1-2017-regime) én de uitsluitingsgrond niet van toepassing is, komt het leerstuk van het eenvoudig witwassen en de lex mitior hier niet aan bod. Classificatie: toepassing/precisering bij ECLI:NL:HR:2013:150, nauw verwant aan ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2022:109.

Conclusie A-G

A-G Spronken achtte het eerste middel gegrond: nu het hof had vastgesteld dat het witgewassen geld uit eigen misdrijf afkomstig was en uit de motivering geen op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst gerichte gedragingen bleken, was de kwalificatie (gewoonte)witwassen voor de contante bedragen van € 10.000 en € 13.000 niet zonder meer begrijpelijk. De conclusie strekte tot vernietiging ten aanzien van feit 2 en de strafoplegging, met terugwijzing.

De Hoge Raad volgt de conclusie niet: anders dan de A-G, die tot uitgangspunt nam dat de bedragen onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig waren, duidt de Hoge Raad het geld als middellijk afkomstig (giraal ontvangen door andere aanvragers, daarna overgedragen aan de verdachte en omgezet in contant geld), zodat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is en het middel faalt.

Eerder op deze site