ECLI:NL:HR:2021:1752 — Hoge Raad, 2021-11-30 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene een gewoonte heeft gemaakt van het verwerven, voorhanden hebben, omzetten en gebruikmaken van in totaal € 1.281.126,27, wetende dat dit geld van enig misdrijf afkomstig was (gewoontewitwassen). Het hof Arnhem-Leeuwarden schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel op exact datzelfde bedrag: het overwoog dat het witwasbedrag “in deze procedure niet ter discussie staat” en dat de contante uitgaven waarvan de herkomst onbekend is gebleven als voordeel worden aangemerkt.
Het eerste cassatiemiddel klaagt dat deze schatting ontoereikend is gemotiveerd. De Hoge Raad honoreert die klacht. Het oordeel van het hof berust kennelijk op de opvatting dat de contante uitgaven, alleen al omdat zij voorwerp waren van het bewezenverklaarde gewoontewitwassen, wederrechtelijk verkregen voordeel vormen. Die opvatting is niet juist (vgl. HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077). Zonder nadere motivering is daarom niet begrijpelijk dat de betrokkene daadwerkelijk tot een bedrag van € 1.281.126,27 voordeel heeft verkregen uit het gewoontewitwassen.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden. Het tweede middel (redelijke termijn) blijft onbesproken.
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest brengt geen nieuwe rechtsregel, maar is een strakke bevestiging van een lijn die de Hoge Raad in 2021 driemaal moest herhalen: dat een geldbedrag voorwerp is van (gewoonte)witwassen, maakt dat bedrag niet zonder meer tot wederrechtelijk verkregen voordeel uit dat witwassen. De Hoge Raad verwijst zelf naar HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077; de gedachte gaat terug op de vaste rechtspraak dat witwashandelingen — verwerven, voorhanden hebben, omzetten, gebruikmaken — op zichzelf geen vermogensvermeerdering teweegbrengen: het profijt vloeit veelal voort uit het gronddelict, niet uit het witwassen zelf (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BY5217).
Doctrinair illustreert de zaak de maatstaf-distinctie bij de eenvoudige kasopstelling. In de hoofdzaak kan een negatief kasverschil — uitgaven zonder aanwijsbare legale bron — via het witwasvermoeden (ECLI:NL:HR:2010:BM0787) het bestanddeel “uit enig misdrijf afkomstig” wettig en overtuigend helpen dragen. Maar diezelfde optelsom levert in de ontnemingszaak nog geen deugdelijke schatting op van daadwerkelijk genoten voordeel onder art. 36e lid 2 Sr. De kortsluiting die het hof maakte — “het witwasbedrag staat niet ter discussie, dus dat is het voordeel” — is precies het automatisme dat de Hoge Raad sanctioneert. Wil de rechter ontnemen op basis van het witwassen zelf, dan moet hij motiveren waaróm de betrokkene daaruit profijt trok (bijvoorbeeld transactiewinst of een beloning); anders moet de ontneming worden geënt op het gronddelict of op andere feiten, met de daarbij horende eisen.
Voor de praktijk betekent dit dat officieren van justitie en ontnemingsrechters bij een op een kasopstelling gebaseerde witwasveroordeling niet kunnen volstaan met een een-op-een-vertaling van het bewezenverklaarde bedrag naar de betalingsverplichting. A-G Aben wees er in de conclusie (ECLI:NL:PHR:2021:966) bovendien op dat een kassurplus alleen een onverklaarde bron aantoont, niet dát en in wíens vermogen voordeel is gevloeid — een waarschuwing die met name relevant is bij geldezels, katvangers en koeriers, door wier handen grote bedragen gaan zonder dat zij daarvan profiteren.
Opvallend is ten slotte de cassatietechnische inkleding: waar de A-G zowel een onjuiste rechtsopvatting als een motiveringsgebrek benoemde, giet de Hoge Raad zijn oordeel in de sleutel van de begrijpelijkheid (“zonder nadere motivering niet begrijpelijk”), zij het met de expliciete vaststelling dat de onderliggende opvatting “niet juist” is. Materieel komt dat op hetzelfde neer: vernietiging en terugwijzing.
Conclusie A-G
A-G Aben concludeerde tot vernietiging en terugwijzing (ECLI:NL:PHR:2021:966). De opvatting dat geldbedragen wederrechtelijk voordeel vormen om de enkele reden dat zij voorwerp van witwassen zijn, is onjuist: witwashandelingen brengen op zichzelf geen vermogensvermeerdering teweeg; het voordeel vloeit veelal voort uit het gronddelict. De A-G wees daarnaast op de beperkingen van de eenvoudige kasopstelling wanneer zij zowel het witwasbewijs als de voordeelsschatting moet dragen: een kassurplus toont slechts een onverklaarde bron aan, niet dát en in wiens vermogen voordeel is gevloeid (denk aan geldezels en katvangers). De A-G zag zowel een onjuiste rechtsopvatting als een motiveringsgebrek. De Hoge Raad volgt de conclusie, zij het beknopter en primair in de sleutel van een motiveringsgebrek.
Eerder op deze site
- Besteden van witwasgeld levert geen wederrechtelijk voordeel op (ECLI:NL:HR:2021:1077) — Het arrest waarnaar de Hoge Raad in deze zaak zelf verwijst; het onderhavige arrest is daarvan een rechtstreekse toepassing.
- Witwasbedrag is niet zonder meer voordeel; ontneming vernietigd (ECLI:NL:HR:2021:1444) — Tussenliggende toepassing van dezelfde lijn, waarmee dit arrest de derde vernietiging in 2021 op hetzelfde ontnemingsautomatisme markeert.