Eigen misdrijf staat witwasveroordeling niet in de weg (ECLI:NL:HR:2007:BA7923)

ECLI:NL:HR:2007:BA7923 — Hoge Raad, 2007-10-02 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte is door het hof Amsterdam veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens onder meer medeplegen van oplichting (meermalen) en medeplegen van gewoontewitwassen (art. 420ter Sr) van in totaal circa € 1,68 miljoen, alsmede deelneming aan een criminele organisatie. Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat het enkel voorhanden hebben van geld dat door eigen misdrijf is verkregen, en waaraan de verdachte geen witwashandelingen heeft verricht, niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

De Hoge Raad — in een samenstelling van vijf raadsheren — verwerpt de klacht. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 420bis tot en met 420quater Sr oordeelt de Raad dat, anders dan bij heling, als gevolg van de eigen aard van de witwasdelicten de herkomst van het voorwerp uit een eigen misdrijf niet aan een veroordeling wegens witwassen in de weg hoeft te staan. De heler-steler-regel geldt bij witwassen dus niet. Voorts biedt noch de wettekst noch de wetsgeschiedenis steun aan de opvatting dat het enkele voorhanden hebben van een voorwerp onvoldoende is om dit als witwassen aan te merken.

De overige klachten worden met toepassing van art. 81 RO afgedaan. Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling blijft in stand.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest is de voorloper van de gehele latere lijn rond de kwalificatie-uitsluitingsgrond en vestigt twee regels die het witwasrecht blijvend hebben gevormd.

Ten eerste: de heler-steler-regel geldt niet bij witwassen. Waar de steler niet kan helen van zijn eigen buit, kan de pleger van het gronddelict wél de opbrengst daarvan witwassen. De Hoge Raad grondt dit op de eigen aard van de witwasdelicten: niet het begunstigingskarakter (zoals bij heling) staat centraal, maar de aantasting van de integriteit van het financieel-economische verkeer. Deze regel geldt tot op vandaag onverkort en verklaart waarom witwassen naast het gronddelict ten laste kan worden gelegd.

Ten tweede: het enkele voorhanden hebben van een uit misdrijf afkomstig voorwerp kan als witwasgedraging (onderdeel b) volstaan; afzonderlijke “witwashandelingen” zijn niet vereist. De A-G steunde daarvoor mede op de criminele-erfeniszaak (ECLI:NL:HR:2006:AU6712), waarin de Hoge Raad al overwoog dat men voor “voorhanden hebben” niets hoeft te doen.

Juist deze tweede, ruime regel is later bijgestuurd. Met HR 26 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM4440) introduceerde de Hoge Raad de kwalificatie-uitsluitingsgrond: het enkele verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp uit eigen misdrijf dat niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst, kan niet als (schuld)witwassen worden gekwalificeerd. Die lijn werd verbreed en van een verzwaarde motiveringseis voorzien in HR 2 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:150), en per 1 januari 2017 codificeerde de wetgever de uitkomst via het eenvoudig (schuld)witwassen van art. 420bis.1/420quater.1 Sr — samengevat in het overzichtsarrest HR 13 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2842). BA7923 markeert dus het startpunt van een doctrinaire beweging: de kern (geen heler-steler-regel) staat overeind, terwijl de reikwijdte van “enkel voorhanden hebben uit eigen misdrijf” nadien is begrensd.

Voor de huidige praktijk blijft het arrest didactisch waardevol als grensgeval avant la lettre: in deze zaak was de constructie (het via rekeningen laten lopen en in porties opnemen van oplichtingsgelden) feitelijk juist op verhulling gericht, zodat de latere uitsluitingsgrond de verdachte vermoedelijk niet zou hebben gebaat. Dat de zaak door vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Corstens is gewezen, onderstreept het principiële karakter van de beslissing.

Conclusie A-G

A-G Vellinga concludeerde tot verwerping van het beroep. Volgens de advocaat-generaal biedt noch de tekst van art. 420bis Sr, noch de parlementaire geschiedenis steun aan de opvatting dat wie door oplichting geld verkrijgt, dat geld niet “voorhanden heeft”: de wetgever heeft de heler-steler-regel bewust niet naar het witwasdelict getransponeerd, gelet op het beschermde rechtsgoed (de integriteit van het financieel-economische verkeer). Evenmin is vereist dat de verdachte naast het gronddelict afzonderlijke witwashandelingen verricht; ter onderstreping wees de advocaat-generaal op de criminele-erfeniszaak (ECLI:NL:HR:2006:AU6712). De overige motiveringsklachten konden volgens de conclusie met art. 81 RO worden afgedaan. De Hoge Raad volgt de conclusie volledig en verwijst in r.o. 3.4 uitdrukkelijk naar de door de advocaat-generaal aangehaalde wetsgeschiedenis.

Eerder op deze site