Hoofdelijke ontneming onmogelijk bij grondslag artikel 36e lid 3 Sr (ECLI:NL:HR:2025:955)

ECLI:NL:HR:2025:955 — Hoge Raad, 2025-07-01 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

Ontnemingszaak na een veroordeling voor gewoontewitwassen van € 267.757,42, gepleegd in de periode 2012–2017. Omdat het strafrechtelijk financieel onderzoek geen zicht gaf op individuele transacties, is het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat met een eenvoudige kasopstelling; de rechtbank baseerde de maatregel uitdrukkelijk op artikel 36e lid 3 Sr. Het hof bevestigde het vonnis, matigde de betalingsverplichting met € 5.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn en legde de betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting op van € 262.757,42, omdat het witgewassen bedrag binnen de gezamenlijke huishouding met de partner als “gemeenschappelijk voordeel” moest gelden (onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2015:884).

Het derde cassatiemiddel klaagt over die hoofdelijkheid. De Hoge Raad acht de klacht gegrond: artikel 36e lid 7 Sr beperkt de mogelijkheid van een hoofdelijke betalingsverplichting tot een voordeelsvaststelling op grond van de leden 1 en 2. Bij toepassing van lid 3 is hoofdelijke oplegging dus niet mogelijk; het hof heeft dat miskend (met verwijzing naar ECLI:NL:HR:2019:1552). De overige middelen — waaronder een klacht over de gelijkstelling van het voordeel aan het bewezenverklaarde witwasbedrag — blijven onbesproken. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest brengt geen nieuwe rechtsregel, maar is een strakke bevestiging van een vaste lijn: wie het voordeel schat op de grondslag van artikel 36e lid 3 Sr — de klassieke route bij een eenvoudige kasopstelling na een veroordeling voor (gewoonte)witwassen — kan géén hoofdelijke betalingsverplichting opleggen. Artikel 36e lid 7 Sr koppelt de hoofdelijkheid immers uitdrukkelijk aan een voordeelsvaststelling op grond van de leden 1 en 2. De Hoge Raad herhaalt hier ECLI:NL:HR:2019:1552; dezelfde regel werd eerder al bevestigd in ECLI:NL:HR:2022:1359.

Instructief is de fout van het hof. Het redeneerde via de figuur van het “gemeenschappelijk voordeel” binnen een gezamenlijke huishouding (ECLI:NL:HR:2015:884) naar hoofdelijkheid. Die toerekeningsfiguur regelt echter de verdeling van het voordeel over meerdere betrokkenen, niet de wettelijke grondslag voor hoofdelijke aansprakelijkheid. Bij een lid 3-ontneming moet de rechter kiezen: pondspondsgewijze toerekening of volledige toerekening aan ieder afzonderlijk — maar niet hoofdelijk. A-G Aben signaleerde bovendien dat het wetsvoorstel Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II de hoofdelijkheid op termijn wil openstellen voor lid 3-ontnemingen; de regel kan dus door wetswijziging worden achterhaald, maar geldt tot dan onverkort.

Voor de witwaspraktijk illustreert de zaak fraai het dubbelgebruik van de kasopstelling: in de hoofdzaak als bewijsconstructie voor gewoontewitwassen (het “kan niet anders dan uit misdrijf”-oordeel na verwerping van niet-concrete, niet-verifieerbare herkomstverklaringen, in lijn met ECLI:NL:HR:2010:BM0787 en ECLI:NL:HR:2023:1605), en in de ontnemingszaak als schattingsmethode onder de lichtere aannemelijkheidsmaatstaf van artikel 36e lid 3 Sr. Let wel: het tweede middel — de begrijpelijkheid van de gelijkstelling van het volledige bewezenverklaarde witwasbedrag aan het wederrechtelijk verkregen voordeel, precies de beweging waartegen ECLI:NL:HR:2013:BY5217 waarschuwt (witwashandelingen genereren op zichzelf geen profijt) — is door de Hoge Raad noch door de A-G beoordeeld. Dat punt blijft in deze zaak dus een open vraag, die na terugwijzing opnieuw op tafel ligt.

Praktische les voor officieren en raadslieden: controleer bij elke ontnemingsvordering na een witwasveroordeling eerst de gekozen grondslag. Wordt lid 3 gebruikt (zoals gebruikelijk bij een kasopstelling), dan is een gevorderde of opgelegde hoofdelijkheid een kansrijke cassatiegrond. Het arrest markeert daarmee geen grensgeval maar een terugkerende praktijkfout, die de Hoge Raad opnieuw corrigeert.

Conclusie A-G

A-G Aben concludeerde tot vernietiging en terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De A-G besprak van de vier middelen bewust eerst het derde: nu de ontnemingsbeslissing is gegrond op artikel 36e lid 3 Sr, mist artikel 36e lid 7 Sr toepassing en kon het hof geen hoofdelijke betalingsverplichting opleggen (onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2019:1552, herhaald in ECLI:NL:HR:2022:1359). Ten overvloede wees de A-G op het aanhangige wetsvoorstel Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II, dat hoofdelijkheid bij lid 3-ontnemingen mogelijk wil maken. De overige middelen — waaronder de klacht over de gelijkstelling van het voordeel aan het bewezenverklaarde witwasbedrag — liet de A-G onbesproken. De Hoge Raad volgt de conclusie volledig.

Eerder op deze site