Geen hoofdelijke ontneming bij grondslag artikel 36e lid 3 Sr (ECLI:NL:HR:2025:954)

ECLI:NL:HR:2025:954 — Hoge Raad, 2025-07-01 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De betrokkene is in de hoofdzaak veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen van € 267.757,42 (periode 2012-2017). In de ontnemingszaak berekende de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel via een eenvoudige kasopstelling en koos zij uitdrukkelijk art. 36e lid 3 Sr als grondslag. Het hof bevestigde het vonnis, matigde wegens overschrijding van de redelijke termijn met € 5.000 en legde vervolgens — onder verwijzing naar het leerstuk van het ‘gemeenschappelijk voordeel’ binnen de gezamenlijke huishouding met de medebetrokkene partner — een hoofdelijke betalingsverplichting op van € 262.757,42.

Het derde cassatiemiddel klaagt over die hoofdelijkheid. De Hoge Raad acht de rechtsklacht gegrond: art. 36e lid 7 Sr beperkt de mogelijkheid van een hoofdelijke betalingsverplichting tot een voordeelsvaststelling op grond van de leden 1 en 2. Bij toepassing van lid 3 is oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting niet mogelijk; het hof heeft dat miskend (met verwijzing naar HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1552). Het eerste en tweede middel — waaronder een motiveringsklacht over de gelijkstelling van het witwasbedrag met het voordeel — blijven onbesproken. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest is geen witwasarrest in enge zin, maar raakt de ontnemingspraktijk die direct op witwaszaken voortbouwt: de eenvoudige kasopstelling. In de hoofdzaak fungeert de kasopstelling als drager van het witwasvermoeden volgens het patroon van HR 13 juli 2010 (het bewijsarrest over ‘uit enig misdrijf afkomstig’); in de ontnemingszaak onderbouwt dezelfde rekensom de voordeelsschatting naar de lichtere aannemelijkheidsmaatstaf. De rechtbank echode dat patroon hier woordelijk (‘kan het niet anders dan dat het geldbedrag uit misdrijf afkomstig is’) in haar voordeelsmotivering.

De dragende rechtsregel is zuiver technisch en bevestigt een bestaande lijn: kiest de rechter art. 36e lid 3 Sr als grondslag — de gebruikelijke route bij een kasopstelling zonder zicht op concrete transacties — dan sluit art. 36e lid 7 Sr hoofdelijkheid categorisch uit. Die regel werd al gevestigd in ECLI:NL:HR:2019:1552 en herhaald in ECLI:NL:HR:2022:1359; dat de Hoge Raad opnieuw moet corrigeren, laat zien dat feitenrechters de grondslagen blijven vermengen. Het hof combineerde hier het leerstuk van het ‘gemeenschappelijk voordeel’ bij een gezamenlijke huishouding (ECLI:NL:HR:2015:884) met hoofdelijkheid, maar die 884-lijn rechtvaardigt hooguit volledige toerekening aan ieder van de partners binnen lid 1/2, geen hoofdelijke constructie bij lid 3. In de samenhangende zaak van de partner casseerde de Hoge Raad dezelfde dag op dezelfde grond (ECLI:NL:HR:2025:955).

Voor de witwaspraktijk zijn twee punten van belang. Ten eerste: bij partners die beiden voor gewoontewitwassen van hetzelfde bedrag zijn veroordeeld, dreigt bij lid 3 óf een grondslagfout (zoals hier) óf dubbele ontneming via twee volledige, niet-hoofdelijke betalingsverplichtingen. Wie hoofdelijkheid wil, moet het voordeel op lid 1 of 2 kunnen relateren. Ten tweede blijft na terugwijzing het onbesproken tweede middel latent relevant: de gelijkstelling van het bewezenverklaarde witwasbedrag met het wederrechtelijk voordeel is doctrinair kwetsbaar, omdat witwashandelingen op zichzelf geen profijt genereren — al besliste de Hoge Raad daarover in dit arrest niets. A-G Aben signaleerde ten slotte dat het aanhangige wetsvoorstel Versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II hoofdelijkheid ook bij lid 3 mogelijk wil maken bij een ‘economische eenheid’; de hier bevestigde regel kan dus voor toekomstige zaken worden achterhaald, maar geldt onverkort voor lopende zaken.

Conclusie A-G

A-G Aben behandelde bewust eerst het derde middel en achtte dat gegrond: de ontneming was uitdrukkelijk gegrond op art. 36e lid 3 Sr (eenvoudige kasopstelling), terwijl art. 36e lid 7 Sr de hoofdelijke betalingsverplichting beperkt tot een voordeelsvaststelling op grond van de leden 1 en 2 (onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2019:1552 en ECLI:NL:HR:2022:1359). De conclusie strekte tot vernietiging en terugwijzing; de overige middelen liet de advocaat-generaal onbesproken, met het aanbod van een aanvullende conclusie. Ten overvloede wees A-G Aben op het wetsvoorstel dat hoofdelijkheid bij lid 3 mogelijk wil maken voor veroordeelden die een ‘economische eenheid’ vormen. De Hoge Raad volgt de conclusie volledig.

Eerder op deze site