ECLI:NL:HR:2024:167 — Hoge Raad, 2024-02-06 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
Bij doorzoeking van de woning van de verdachte en bij zijn fouillering werd ruim € 40.000 aan contant geld aangetroffen. Het hof Amsterdam achtte, mede aan de hand van een eenvoudige kasopstelling waaruit een onverklaard verschil van € 7.139,02 volgde, eenvoudig witwassen (art. 420bis.1 Sr) bewezen: het kon niet anders zijn dan dat dit bedrag onmiddellijk uit enig eigen misdrijf afkomstig was. De verdediging had meerdere legale herkomstbronnen aangedragen: contant spaargeld van de zus voor haar uitvaart (± € 10.000), inkomsten uit de verkoop van Surinaamse zangvogels en collectegeld dat de vader als hindoepriester beheerde.
Het cassatiemiddel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring in het licht van dit verweer. De Hoge Raad herhaalt het toetsingskader van HR 18 december 2018 (witwasvermoeden; concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring; nader onderzoek door het OM; geen bewijslastomkering). Het hof heeft de verklaring over de zus als niet-verifieerbaar aangemerkt, maar in het midden gelaten of de verklaringen over de zangvogels en het collectegeld concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Daarom is de bewezenverklaring niet toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak wat betreft feit 3 en de strafoplegging, wijst terug naar het hof Amsterdam en verwerpt het beroep voor het overige, conform de conclusie van plaatsvervangend A-G Van Wees.
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest brengt geen nieuwe rechtsregel, maar is een instructieve toepassing van de bewijslijn rond het witwasvermoeden die teruggaat op het ankerarrest HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787 en die woordelijk is geherformuleerd in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 — het kader dat de Hoge Raad hier in r.o. 2.3 opnieuw vooropstelt. De scherpstelling zit in de toepassing: draagt de verdediging meerdere alternatieve herkomstbronnen aan, dan moet de rechter élke bron langs de maatstaf leggen (concreet, verifieerbaar, niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk) of kenbaar motiveren waarom die toets niet wordt doorstaan. Eén bron gemotiveerd afserveren (de zus) terwijl twee andere (zangvogels, collectegeld) onbesproken blijven, laat de “niet anders kan zijn dan”-conclusie ontoereikend gemotiveerd achter. Dit sluit naadloos aan bij HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:36 — eveneens een art. 420bis.1-zaak waarin het onbeoordeeld laten van de herkomstverklaring tot vernietiging leidde — en bij de oudere lijn van HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1793, waarin het onbesproken laten van een aangedragen alternatieve bron eveneens fataal was.
Interessant is de kasopstelling-dimensie. Het hof leidde het witwasvermoeden af uit klassieke indicatoren (aanzienlijk contant geld, uitkering, veroordeling voor drugshandel) en gebruikte de kasopstelling om de herkomstverklaringen door te rekenen. Het arrest illustreert — nog vóór de meer principiële behandeling in HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1605 — dat een negatief kasverschil de rechter niet ontslaat van de plicht om aangedragen legale bronnen die niet in de opstelling zijn verdisconteerd afzonderlijk en kenbaar te wegen; de kasopstelling bedient het witwasvermoeden, maar beslist de verklaringstoets niet.
Kwalificatief speelt de datumgrens van 1 januari 2017 hier alleen op de achtergrond: de pleegdatum (29 december 2020) valt onder het regime van HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, zodat het enkel voorhanden hebben van geld dat onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is als eenvoudig witwassen is gekwalificeerd; dat aspect was in cassatie niet bestreden.
Praktisch: voor de feitenrechter betekent het arrest dat de responsie op een herkomstverweer volledig moet zijn — per bron. Voor de verdediging loont het om elke herkomstbron afzonderlijk, concreet en zo verifieerbaar mogelijk te presenteren. Voor het OM onderstreept het arrest dat het aangedragen alternatief per bron onderzoek kan vergen (zoals hier bij de vader wél, maar bij de zangvogels niet gebeurde). Een klassieke motiveringscassatie dus (“niet toereikend gemotiveerd”), die de bestaande lijn bevestigt zonder haar te verleggen.
Conclusie A-G
Plaatsvervangend A-G Van Wees concludeerde tot vernietiging en terugwijzing. De A-G plaatste de zaak in het kader van HR 18 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2352) en wees erop dat dit kader ook bij eenvoudig witwassen geldt (onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2020:36). Methodologisch merkte de A-G op dat de enkele uitkomst van een kasopstelling de “niet anders kan zijn dan”-conclusie niet kan dragen, al kan zij wel een witwasvermoeden rechtvaardigen. De crux: het hof besprak de verklaring over de zus (niet verifieerbaar), maar beoordeelde niet of de verklaringen over de Surinaamse zangvogels en het collectegeld van de vader concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk waren — temeer klemmend nu de verdediging het dementiële beeld van de vader met een huisartsverklaring had onderbouwd. De Hoge Raad volgt de conclusie volledig: motiveringsgebrek, partiële vernietiging en terugwijzing; de methodologische kasopstelling-overweging neemt de Hoge Raad niet expliciet over.
Eerder op deze site
- Herkomstverklaring onbeoordeeld: eenvoudig witwassen vernietigd (ECLI:NL:HR:2020:36) — Directe voorloper: ook daar liet het hof in het midden of de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke herkomstverklaring had gegeven, met vernietiging van de bewezenverklaring van eenvoudig witwassen tot gevolg.
- Bankwikkels onbesproken: witwasoordeel onbegrijpelijk gemotiveerd (ECLI:NL:HR:2021:691) — Zelfde motiveringslijn: onderdelen van het herkomstverweer die de feitenrechter onbesproken laat, maken het witwasoordeel onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
Vindplaatsen
- SR-Updates.nl 2024-0022
- RvdW 2024/209