Vrijspraken verhullen en opzetwitwassen bij bitcoins vernietigd (ECLI:NL:HR:2024:888)

ECLI:NL:HR:2024:888 — Hoge Raad, 2024-06-25 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bitcoinzaak uit het FIOD-onderzoek IJsberg. De verdachte wisselde in de periode juli 2015 – februari 2016 samen met een ander ruim 922 bitcoins (circa € 276.720) om tegen contant geld bij een bitcoinhandelaar, telkens in een Starbucks-vestiging. Het hof Den Haag achtte via het witwasvermoeden — grotendeels aanvoer vanaf darknetmarkets en het uitblijven van elke herkomstverklaring — bewezen dat de bitcoins uit enig misdrijf afkomstig waren, maar veroordeelde slechts voor schuldwitwassen (onderdeel b) en sprak vrij van het verbergen/verhullen (onderdeel a): het “enkele omzetten” van bitcoins naar contant geld zou geen verhullen opleveren.

Het beroep van de verdachte is niet-ontvankelijk (geen schriftuur, art. 437 lid 2 Sv). Op het OM-beroep oordeelt de Hoge Raad tweemaal in het voordeel van het openbaar ministerie. Het derde middel slaagt: het requisitoir over de wetenschap van de criminele herkomst (noodzakelijkheidsbewustzijn, anonimiteitsgerichte handelwijze, exorbitante commissie zonder economische rechtvaardiging) kan niet anders worden opgevat dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, waarvan het hof zonder opgave van redenen is afgeweken door van opzetwitwassen vrij te spreken — strijd met art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Ook het tweede middel, tegen de vrijspraak van verbergen/verhullen, slaagt; de Hoge Raad verwijst voor de redenen naar het zusterarrest ECLI:NL:HR:2024:887. De Hoge Raad vernietigt en wijst terug naar het hof Den Haag.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest is om twee redenen van betekenis voor de witwaspraktijk, en cassatietechnisch opvallend omdat de Hoge Raad op beide punten afwijkt van A-G Aben, die tot verwerping van de OM-middelen had geconcludeerd — een divergentie die het gewicht van het oordeel onderstreept.

Ten eerste de crypto-toepassing van onderdeel a. Het hof reduceerde het handelen van de verdachte tot een “enkel omzetten” van bitcoins naar contant geld, dat geen verbergen of verhullen zou opleveren. De Hoge Raad acht die deelvrijspraak onhoudbaar, met verwijzing naar het op dezelfde dag gewezen zusterarrest ECLI:NL:HR:2024:887. In het licht van het requisitoir — anonieme ontmoetingen bij Starbucks, contant geld onder de tafel, versluierde communicatie, een fee die de reguliere wisselkoers vele malen overstijgt en waarvoor geen legitieme economische reden bestaat — gaat het niet om neutraal omzetten maar om een samenstel van gedragingen dat naar objectieve strekking gericht en geschikt kan zijn om het zicht op herkomst en rechthebbende te bemoeilijken (maatstaf ECLI:NL:HR:2017:236). Het arrest vormt daarmee het spiegelbeeld van ECLI:NL:HR:2020:1171 (crimineel geld omzetten in bitcoins als verhullen): ook de “cash-out” van criminele crypto is niet per definitie neutraal. Voor OM, compliance en verdediging is dat de kern van deze lijn.

Ten tweede de processuele les: de responsieplicht van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv beschermt ook het openbaar ministerie, en wordt juist bij het subjectieve bestanddeel scherp getoetst. Wie gemotiveerd noodzakelijkheidsbewustzijn (opzet) bepleit, mag niet zonder opgave van redenen worden gepasseerd met een veroordeling voor slechts schuldwitwassen (art. 420quater Sr). De ongemotiveerde deelvrijspraak van het impliciet primaire opzetwitwassen is cassabel.

Doctrinair sluit het bewijs van “uit enig misdrijf afkomstig” hier naadloos aan bij de klassieke bewijslijn van het witwasvermoeden (ECLI:NL:HR:2010:BM0787, herformuleerd in ECLI:NL:HR:2018:2352): het hof leidde het vermoeden af uit de darknet-herkomst van de bitcoins en de handelwijze, waarna het volledig uitblijven van een herkomstverklaring de conclusie droeg dat het niet anders kan zijn dan dat de bitcoins uit misdrijf afkomstig zijn. Dat deel van de bewijsvoering stond in cassatie niet ter discussie. De kwalificatie-uitsluitingsgrond speelt niet: een herkomst uit eigen misdrijf is niet aannemelijk geworden, en het verwijt betreft juist omzetten en verhullen. Het arrest brengt dus geen nieuwe maatstaf, maar bevestigt en verscherpt twee bestaande lijnen op het terrein van cryptovaluta — en laat zien dat de Hoge Raad ook bij OM-cassaties tegen deelvrijspraken, waar de toetsingsruimte beperkt is, bereid is in te grijpen.

Conclusie A-G

A-G Aben concludeerde tot verwerping van alle drie de OM-middelen en tot vernietiging uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn. Volgens de A-G getuigde het oordeel dat het “enkele omzetten” van bitcoins naar contant geld geen verbergen/verhullen oplevert niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het niet onbegrijpelijk, en had het hof in het requisitoir geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het opzetbewijs hoeven herkennen.

De Hoge Raad volgt de A-G op beide inhoudelijk besproken punten niet: zowel het middel over de vrijspraak van verbergen/verhullen als de klacht over het onbesproken laten van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de wetenschap slaagt, gevolgd door vernietiging en terugwijzing.

Eerder op deze site