Wetenschap verstopt contant geld bij echtgenote houdt stand; medepleegmaatstaf (ECLI:NL:HR:2024:112)

ECLI:NL:HR:2024:112 — Hoge Raad, 2024-01-30 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij een doorzoeking op 30 november 2011 werd in de door de verdachte en haar echtgenoot bewoonde woning op drie plekken in totaal € 52.810 aan contant geld aangetroffen, onder meer 1.783 briefjes van € 20 en meerdere biljetten van € 500; daarnaast reed het echtpaar in een uit Litouwen ingevoerde Mercedes op naam van de schoonmoeder. Het hof bevestigde de veroordeling wegens medeplegen van witwassen (art. 420bis lid 1 onder b Sr).

Het eerste cassatiemiddel klaagde over het oordeel dat de verdachte het volledige geldbedrag voorhanden heeft gehad. De Hoge Raad stelt voorop dat voorhanden hebben bewustheid van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp vereist — niet van omvang of exacte locatie (vgl. ECLI:NL:HR:2020:570) — en expliciteert de maatstaf voor medeplegen van voorhanden hebben: nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voorhanden hebben, plus gezamenlijke feitelijke macht (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1938 over wapens).

De Hoge Raad acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk: gelet op de negatieve vermogensvergelijking (circa € 173.000 negatief “netto-privé”), het uitblijven van concretisering van de herkomst en de overeenkomende € 500-coupures op verschillende vindplaatsen, mocht het hof het scenario dat de verdachte alleen van € 7.000 spaargeld wist ongeloofwaardig achten. De overige klachten worden met art. 81 RO afgedaan. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt de taakstraf verminderd van 180 naar 162 uur; het beroep wordt voor het overige verworpen.

Betekenis voor de praktijk

Het arrest brengt geen koerswijziging, maar heeft op twee punten doctrinaire waarde voor de witwaspraktijk.

1. Explicitering van de medepleegmaatstaf bij voorhanden hebben. In rechtsoverweging 2.4.2 vertaalt de Hoge Raad zijn wapenrechtspraak (ECLI:NL:HR:2021:1938) uitdrukkelijk naar art. 420bis Sr: voor medeplegen van voorhanden hebben is vereist (i) nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voorhanden hebben, (ii) bewustheid van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp — niet van de precieze omvang van een geldbedrag of de exacte locatie — en (iii) gezamenlijke feitelijke machtsuitoefening. Dit compacte kader stond in de witwascontext nog niet zo geëxpliciteerd en is direct bruikbaar bij tenlasteleggingen tegen partners en huisgenoten.

2. Toepassing van de bewijslijn van het witwasvermoeden. De zaak illustreert het klassieke samenspel uit HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, zoals geherformuleerd in ECLI:NL:HR:2018:2352: typologieën (grote contante bedragen, 1.783 briefjes van € 20, € 500-coupures) gecombineerd met een vermogensvergelijking (negatief netto-privé van circa € 173.000) rechtvaardigen het vermoeden; vervolgens mag een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke herkomstverklaring worden verlangd. De verklaringen — autohandel in Litouwen zonder enige boekhouding of bevestiging via rechtshulp; “€ 7.000 spaargeld en van de rest wist ik niets” — doorstaan die toets niet. Het arrest laat ook zien dat een vermogensvergelijking het witwasbewijs in de hoofdzaak mede kan dragen, in lijn met de latere kasopstellingsrechtspraak.

Grensgeval. A-G Spronken noemde de zaak uitdrukkelijk een grensgeval en vond de bewustheidsmotivering voor de echtgenote ontoereikend: herkomstargumenten mogen niet zonder meer dubbelen als wetenschapsargumenten, zeker nu de echtgenoot de grootste bedragen als de zijne had geclaimd. De Hoge Raad accepteert — binnen de terughoudende begrijpelijkheidstoets — dat dezelfde omstandigheden óók de ongeloofwaardigheid van het “ik wist van niets”-scenario dragen. Let wel: “niet onbegrijpelijk” is geen inhoudelijke instemming. Voor de praktijk betekent dit dat bij hoofdbewoners de wetenschap van in de gezamenlijke woning verstopte contanten kan worden afgeleid uit het samenstel van vindplaatsen, coupure-overeenkomsten en een negatieve vermogensvergelijking, mits de rechter het alternatieve scenario kenbaar weegt.

De kwalificatie-uitsluitingsgrond speelt niet: herkomst uit eigen misdrijf is niet aangevoerd noch gebleken (conform ECLI:NL:HR:2013:2001), en de pleegdatum (2011) ligt vóór de datumgrens van 1 januari 2017, die hier verder geen rol speelt. Classificatie: bevestiging en precisering binnen bestaande lijnen, met de medepleegmaatstaf als voornaamste meerwaarde.

Conclusie A-G

A-G Spronken (conclusie ECLI:NL:PHR:2023:1101) concludeerde tot vernietiging wat betreft feit 3 en de strafoplegging: het eerste middel zou slagen. De A-G noemde de zaak een grensgeval, maar achtte de motivering van de bewustheid ontoereikend: de negatieve vermogensvergelijking en het niet-concretiseren van de herkomst zeggen iets over de herkomst van het geld, niet over de wetenschap van de verdachte van de in la en kast aangetroffen bedragen, die de echtgenoot bovendien als de zijne had geclaimd; over de toegankelijkheid van de vindplaatsen was niets vastgesteld. De Hoge Raad volgt de conclusie niet: het oordeel van het hof dat de verdachte ook de overige geldbedragen voorhanden had en van de criminele herkomst wist, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Eerder op deze site