ECLI:NL:HR:2021:1444 — Hoge Raad, 2021-10-05 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
In de samenhangende strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig maakte aan witwassen, meermalen gepleegd, van onder meer € 38.257 aan contante stortingen op zijn bankrekening (periode 1 januari 2010 tot en met 9 mei 2012). Het hof bevestigde het ontnemingsvonnis waarin datzelfde bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat, zonder kenbaar te maken of art. 36e lid 2 dan wel lid 3 Sr werd toegepast.
Het eerste middel klaagt over de motivering van de voordeelsschatting. De Hoge Raad loopt alle denkbare grondslagen af. Als het hof lid 2 toepaste op het bewezenverklaarde witwassen zelf, berust dat op de onjuiste opvatting dat contante stortingen reeds voordeel vormen doordat zij voorwerp van witwassen waren (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1077). Als het hof lid 2 toepaste op andere strafbare feiten, ontbreekt de vaststelling dat voldoende aanwijzingen bestaan dat die feiten door de betrokkene zijn begaan én dat daaruit het voordeel is verkregen. Als het hof lid 3 bedoelde, blijkt niet dat aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan: art. 36e lid 3 (oud) Sr vereiste een strafrechtelijk financieel onderzoek, terwijl de bewezenverklaarde periode de datumgrens van 1 juli 2011 overspant en niet blijkt op welke data de afzonderlijke misdrijven zijn gepleegd (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2714 en ECLI:NL:HR:2019:1888).
Het middel slaagt; de Hoge Raad vernietigt en wijst terug naar het hof Den Haag. Het tweede middel blijft onbesproken.
Betekenis voor de praktijk
Dit ontnemingsarrest ligt precies op de naad tussen witwasrecht en ontneming: de plek waar de bewijsmaatstaf van de hoofdzaak (“uit enig misdrijf afkomstig”, wettig en overtuigend, langs het witwasvermoeden van ECLI:NL:HR:2010:BM0787) níet mag worden verward met de ontnemingsmaatstaf (aannemelijk wederrechtelijk voordeel, art. 36e Sr). De feitenrechters deden hier exact wat de Hoge Raad sinds ECLI:NL:HR:2013:BY5217 verbiedt: het in de strafzaak bewezenverklaarde witwasbedrag één-op-één overzetten naar het ontnemingsbedrag. Witwashandelingen verhullen de herkomst van een voorwerp, maar genereren op zichzelf geen profijt ter waarde van dat voorwerp; dat een geldbedrag voorwerp is van bewezen witwassen maakt het dus niet zonder meer tot voordeel.
Het arrest vestigt geen nieuwe regel, maar bevestigt en verscherpt twee bestaande lijnen. Ten eerste de BY5217-lijn, kort daarvoor herhaald in ECLI:NL:HR:2021:1077 en eerder toegepast in ECLI:NL:HR:2019:475: voorwerp van witwassen ≠ voordeel uit witwassen. Ten tweede de overgangsrechtelijke lijn rond art. 36e lid 3 Sr (ECLI:NL:HR:2016:2714; ECLI:NL:HR:2019:1888; ECLI:NL:HR:2021:478): bij misdrijven die (mede) vóór 1 juli 2011 zijn begaan, geldt het oude vereiste van een strafrechtelijk financieel onderzoek. Nu de bewezenverklaarde periode die datumgrens overspant en de bewezenverklaring de pleegdata niet individualiseert, is de lid 3-route zonder SFO afgesneden.
Didactisch instructief is de waaiertechniek: omdat het hof de wettelijke grondslag in het midden liet, loopt de Hoge Raad alle lezingen langs — lid 2 uit het witwassen zelf (onjuiste rechtsopvatting), lid 2 via andere feiten (ontoereikend gemotiveerd, want geen vaststelling van voldoende aanwijzingen), lid 3 (toepassingsvoorwaarden niet vastgesteld). Op geen enkele grondslag houdt de schatting stand.
De praktische boodschap is tweeledig. Voor de rechter en het OM: benoem in de ontnemingsbeslissing expliciet de grondslag (lid 2 of lid 3) en motiveer per grondslag langs de bijbehorende voorwaarden; een stortingenanalyse of kasopstelling die in de hoofdzaak het witwasvermoeden droeg, moet in de ontnemingszaak zelfstandig langs die voorwaarden worden gelegd. Voor de verdediging: een veroordeling wegens witwassen van contante stortingen is géén vrijbrief voor ontneming van datzelfde bedrag — de grondslag- en motiveringsvraag biedt een zelfstandig aangrijpingspunt. Het arrest markeert daarmee een terugkerend grensgeval dat in de skill (§ 1a) als didactische kernfout is benoemd: de aannemelijkheidsmaatstaf van de ontneming en het witwasbewijs in de hoofdzaak zijn niet inwisselbaar.
Conclusie A-G
A-G Bleichrodt concludeerde dat het eerste middel slaagt en zette het kader langs drie sporen uiteen: (1) geldbedragen die voorwerp zijn van bewezenverklaard witwassen belichamen niet reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel — witwashandelingen genereren zelf geen voordeel ter waarde van het voorwerp; (2) voor toepassing van art. 36e lid 2 Sr op andere strafbare feiten had het hof moeten vaststellen dat voldoende aanwijzingen bestaan dat die feiten door de betrokkene zijn begaan, wat ontbreekt; (3) nu het bewezenverklaarde witwassen deels van vóór 1 juli 2011 dateert, blijft het verruimde art. 36e lid 3 Sr buiten toepassing en gold het oude vereiste van een strafrechtelijk financieel onderzoek, waarvan niet blijkt. De A-G concludeerde tot vernietiging en terugwijzing naar het hof Den Haag. De Hoge Raad volgt de conclusie volledig, zowel in de drieledige opbouw als in de uitkomst.
Eerder op deze site
- Besteden van witwasgeld levert geen wederrechtelijk voordeel op (ECLI:NL:HR:2021:1077) — Het arrest waarnaar de Hoge Raad in r.o. 2.5.2 zelf verwijst: directe parent van de regel dat een voorwerp van witwassen niet reeds daardoor wederrechtelijk voordeel vormt.
- Zonder SFO blijft nieuw artikel 36e lid 3 Sr geheel buiten toepassing (ECLI:NL:HR:2021:478) — Dekt het tweede been van het arrest: het overgangsrechtelijke SFO-vereiste voor art. 36e lid 3 (oud) Sr bij feiten die (mede) vóór 1 juli 2011 zijn begaan.