Recidiveverwijt vergt onherroepelijkheid ten tijde van het feit (ECLI:NL:HR:2021:1262)

ECLI:NL:HR:2021:1262 — Hoge Raad, 2021-09-21 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte is door het hof Den Haag veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf wegens verduistering, meermalen gepleegd (mei–september 2015): hij verkocht als ondernemer een geleasede bestelbus zonder toestemming en stelde twee andere bussen zonder voorbehoud aan een ander ter beschikking. In de strafmotivering overwoog het hof dat een eerdere onherroepelijke veroordeling de verdachte er “kennelijk niet van heeft weerhouden” de onderhavige feiten te plegen.

Het enige (resterende) cassatiemiddel — een motiveringsklacht — richt zich tegen deze strafmotivering. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat de eerdere veroordeling een witwasveroordeling van de politierechter Den Haag van 27 juni 2013 betrof, die pas op 3 november 2015 onherroepelijk werd: ná de bewezenverklaarde pleegperiode.

De Hoge Raad stelt voorop dat de rechter bij de strafoplegging rekening mag houden met een niet tenlastegelegd feit waarvoor de verdachte onherroepelijk is veroordeeld (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BM9968), waarbij — mede gelet op art. 78b Sr — een onherroepelijke strafbeschikking met een onherroepelijke veroordeling wordt gelijkgesteld. Kent de rechter echter in het bijzonder gewicht toe aan de omstandigheid dat de verdachte ondanks een eerdere veroordeling opnieuw delinqueerde, dan moet die veroordeling al onherroepelijk zijn geweest ten tijde van het begaan van het nieuwe feit (vgl. ECLI:NL:HR:2017:2391). Daaraan is hier niet voldaan; de strafoplegging is ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt uitsluitend de strafoplegging en wijst terug naar het hof Den Haag; het beroep wordt voor het overige verworpen.

Betekenis voor de praktijk

Doctrinair is dit géén witwasarrest: de bestanddelenleer van art. 420bis e.v. Sr — het witwasvermoeden, de kwalificatie-uitsluitingsgrond, de datumgrens van 1 januari 2017 — speelt geen enkele rol. Witwassen figureert hier uitsluitend als het eerdere, niet-tenlastegelegde feit dat het hof als recidive-indicator in de straftoemeting betrok. Juist daarom is het arrest voor de witwaspraktijk relevant: witwasveroordelingen duiken veelvuldig op als documentatie-antecedent in latere vermogenszaken, en omgekeerd wegen eerdere vermogensdelicten vaak mee in de straftoemeting bij witwassen.

De Hoge Raad brengt geen nieuwe regel, maar past de bestaande lijn strak toe. Sinds ECLI:NL:HR:2010:BM9968 staat vast dat een niet tenlastegelegd feit bij de strafoplegging mag meewegen als uitwerking van de persoonlijke omstandigheden, mits de veroordeling onherroepelijk is op het moment van de strafoplegging. ECLI:NL:HR:2017:2391 scherpte dat aan: wie in de strafmotivering de klassieke formule hanteert dat een eerdere veroordeling de verdachte “er kennelijk niet van heeft weerhouden” opnieuw te delinqueren, verankert een verwijt van recidive-ondanks-waarschuwing — en dat verwijt vergt dat de eerdere veroordeling al onherroepelijk was toen het nieuwe feit werd gepleegd. Nieuw is wel de expliciete kleine precisering dat, mede gelet op art. 78b Sr, de onherroepelijke strafbeschikking met de onherroepelijke veroordeling wordt gelijkgesteld — een punt dat A-G Bleichrodt niet met zoveel woorden noemde.

Het arrest illustreert bovendien de aard van de cassatietoets: straftoemeting wordt in cassatie doorgaans marginaal getoetst, maar deze chronologische eis handhaaft de Hoge Raad vol en precies. Een verschil van enkele weken — de feiten liepen tot 24 september 2015, de witwasveroordeling werd onherroepelijk op 3 november 2015 — kostte hier de gehele strafoplegging.

Praktische lessen. Voor rechters en officieren van justitie: controleer bij gebruik van de “niet weerhouden”-formule altijd de datum van onherroepelijkheid tegen de pleegdatum van het bewezenverklaarde feit; het uittreksel Justitiële Documentatie vermeldt beide data. Is de eerdere veroordeling pas ná de pleegperiode onherroepelijk geworden, kies dan voor de neutralere route van BM9968 (uitwerking persoonlijke omstandigheden) zonder het strafverzwarende recidiveverwijt. Voor de verdediging: het uittreksel is in cassatie een dankbaar controleobject; een motiveringsklacht over deze chronologie heeft — anders dan de meeste straftoemetingsklachten — reële kans van slagen. Het arrest bevestigt dus een bestaande lijn en markeert tegelijk hoe scherp de grens tussen toelaatbare en ontoelaatbare recidiveverwijzing loopt.

Conclusie A-G

A-G Bleichrodt (conclusie van 8 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:530) zette het toetsingskader voor het betrekken van niet-tenlastegelegde feiten bij de straftoemeting uiteen: meewegen als uitwerking van de persoonlijke omstandigheden mag bij een onherroepelijke veroordeling, maar wie in het bijzonder gewicht toekent aan het verwijt dat de verdachte “niettegenstaande een eerdere veroordeling” opnieuw delinqueerde, moet kunnen vaststellen dat die veroordeling al onherroepelijk was ten tijde van het begaan van het nieuwe feit. Omdat het uittreksel Justitiële Documentatie daarvoor geen steun bood, achtte de advocaat-generaal de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd en concludeerde tot vernietiging uitsluitend wat de strafoplegging betreft, terugwijzing naar het hof Den Haag en verwerping voor het overige. De Hoge Raad volgt de conclusie volledig, en maakt daarbij explicieter dat de eerdere veroordeling witwassen betrof en pas op 3 november 2015 — ná de pleegperiode — onherroepelijk werd; als kleine toevoeging noemt de Hoge Raad de gelijkstelling van de onherroepelijke strafbeschikking met de onherroepelijke veroordeling (art. 78b Sr).