Omzetten van witwasgeld levert niet automatisch voordeel op (ECLI:NL:HR:2024:1821)

ECLI:NL:HR:2024:1821 — Hoge Raad, 2024-12-10 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De betrokkene, een B.V., was veroordeeld wegens witwassen: het verhullen en omzetten van in totaal ongeveer € 190.000 aan geldbedragen door daarmee auto’s aan te schaffen ten behoeve van verhuur en verkoop. In de ontnemingsprocedure schatte het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 305.833, de gezamenlijke (taxatie)waarde van de dertien op 25 april 2018 aan de B.V. toebehorende auto’s, zonder onderscheid te maken tussen het bedrag dat zelf voorwerp van het witwasdelict was en een eventuele waardevermeerdering daarboven.

Het eerste cassatiemiddel klaagt dat deze schatting ontoereikend is gemotiveerd voor zover daarin het bedrag van € 190.000 is begrepen. De Hoge Raad herhaalt zijn vaste lijn dat de enkele omstandigheid dat een geldbedrag voorwerp is van bewezenverklaard witwassen niet betekent dat dat bedrag al daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormt, en dat dit evenmin anders is wanneer dat bedrag wordt omgezet in een ander voorwerp: de omzetting zelf brengt geen vermogensvermeerdering met zich. Het hof had dus niet de volledige waarde van € 305.833 als voordeel mogen aanmerken. Het middel slaagt; de Hoge Raad vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug naar het hof.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest is geen nieuw kernarrest maar een precisering en bevestiging van de lijn die de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2021:1077 heeft uitgezet, die zelf weer voortbouwt op ECLI:NL:HR:2013:BY5217 en is toegepast in ECLI:NL:HR:2021:194. De kernregel — dat het enkele feit dat een voorwerp voorwerp is van bewezenverklaard witwassen niet betekent dat dat voorwerp (of zijn surrogaat) automatisch wederrechtelijk verkregen voordeel oplevert — wordt hier expliciet toegepast op de situatie waarin een uit misdrijf afkomstig geldbedrag wordt omgezet in andere goederen (hier: auto’s). De Hoge Raad trekt de lijn strak door: ook bij omzetting geldt dat alleen een eventuele waardevermeerdering boven het oorspronkelijke, reeds als crimineel aangemerkte bedrag als voordeel kan gelden, niet het omgezette bedrag zelf. Dit onderstreept het onderscheid tussen ‘voorwerp van witwassen’ en ‘voordeel uit witwassen’ dat in de witwas- en ontnemingspraktijk voortdurend om scherpte vraagt (vgl. HR 2013:BY5217 als ankerpunt tegen het klakkeloos gelijkstellen van beide grootheden).

Het meest interessante element van het arrest is dat de Hoge Raad hiermee uitdrukkelijk niet meegaat met de advocaat-generaal, die in een uitvoerige conclusie had bepleit de bestaande lijn juridisch-dogmatisch bij te stellen: volgens de advocaat-generaal zou de waarde die door omzetting van het witwasvoorwerp wordt verkregen — naar analogie van hoe voordeel bij heling en drugsdelicten wordt berekend — wél (na kostenaftrek) als voordeel moeten kunnen gelden. De Hoge Raad kiest voor continuïteit van de eigen rechtspraak boven deze bepleite koerswijziging en herhaalt in plaats daarvan, in een aan het slot toegevoegde overweging (r.o. 2.9), dat wanneer onopgehelderd blijft wie het gronddelict heeft gepleegd, artikel 36e lid 3 Sr (kasopstelling; ECLI:NL:HR:2017:414) een alternatieve route biedt om het vermogensbestanddeel dat voorwerp is van witwassen toch in de ontnemingsberekening te betrekken, zonder dat het gronddelict geconcretiseerd hoeft te worden.

Voor de praktijk is dit relevant voor elke ontnemingsvordering die op een witwasveroordeling volgt: het OM en de feitenrechter moeten scherp onderscheiden tussen de waarde van het (omgezette) witwasvoorwerp en een eventueel daarboven behaald voordeel, en kunnen — als de vaststelling van het gronddelict spaak loopt — uitwijken naar de kasopstelling van lid 3 om het vermogensbestanddeel toch te kunnen ontnemen. Het arrest markeert daarmee een grensgeval waarin de Hoge Raad een dogmatisch aangevochten lijn bewust handhaaft, met een praktische escape via een ander wetsartikel.

Conclusie A-G

Advocaat-generaal Keulen bepleit in een uitvoerige, principiële conclusie een bijstelling van de bestaande lijn (HR 2021:1077): de waarde die door omzetting van een uit witwassen afkomstig voorwerp wordt verkregen, zou — naar analogie van heling en drugsdelicten en na aftrek van kosten — wél als wederrechtelijk verkregen voordeel moeten kunnen gelden, zeker als de witwasser aannemelijk ook de pleger van het gronddelict is. Op die grond concludeert de advocaat-generaal dat het eerste middel faalt en adviseert de Hoge Raad, na correctie op een ander punt (verrekening van verbeurdverklaarde auto’s), de betalingsverplichting zelf vast te stellen op € 180.901.

De Hoge Raad volgt dit standpunt niet: hij bevestigt uitdrukkelijk de bestaande lijn dat omzetting van een witwasvoorwerp op zichzelf geen vermogensvermeerdering oplevert, oordeelt dat het middel in zoverre slaagt, en kiest voor vernietiging met terugwijzing in plaats van de door de advocaat-generaal bepleite zelfstandige afdoening.