Tweede vervolging criminele organisatie mag bij verlegd oogmerk (ECLI:NL:HR:2026:125)

ECLI:NL:HR:2026:125 — Hoge Raad, 2026-01-30 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte is in het onderzoek 26Sartell door de rechtbank Rotterdam onherroepelijk veroordeeld voor onder meer deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr) met als oogmerk (gewoonte)witwassen (art. 420bis/ter Sr) en Opiumwetdelicten. In het onderzoek 26Douglasville werd hij vervolgens vervolgd voor deelneming aan een criminele organisatie met als oogmerk geweldsmisdrijven (waaronder moord, gijzeling en afpersing), opzetheling en vuurwapenbezit — een organisatie die na de diefstal van miljoenen aan drugsinkomsten en de liquidatie van een lid “het vizier verlegde” naar geweld. Het hof Amsterdam verwierp het beroep op art. 68 Sr (ne bis in idem).

Het cassatiemiddel klaagt dat sprake is van hetzelfde feit. De Hoge Raad oordeelt, aan de hand van de vergelijkingsfactoren uit ECLI:NL:HR:2011:BM9102, dat het hof weliswaar heeft miskend dat in 26Sartell art. 140 Sr (en niet art. 11b Opiumwet) was tenlastegelegd — die rechtsklacht is terecht voorgesteld — maar dat dit niet tot cassatie leidt: de overwegingen over het aanzienlijke verschil in gedragingen (drugsorganisatie versus geweldsorganisatie, geen één feitencomplex, kortere periode, grotendeels andere deelnemers) dragen het oordeel zelfstandig. Dat een samenwerkingsverband door gewijzigde omstandigheden het vizier verlegt, staat er niet aan in de weg dat deelneming aan meerdere organisaties in de zin van art. 140 Sr wordt verweten, mits feitelijk een voldoende duidelijk verschil bestaat in oogmerk-misdrijven en gedragingen. Overige klachten: art. 81 RO. Ambtshalve: overschrijding redelijke termijn zonder rechtsgevolg. Het beroep wordt verworpen.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest is primair een art. 68 Sr-arrest in de sleutel van art. 140 Sr, maar het heeft reële betekenis voor de vervolgingspraktijk rond criminele geldstromen. De Hoge Raad aanvaardt voor het eerst uitdrukkelijk dat het openbaar ministerie bij opeenvolgende vervolgingen een knip mag zetten in het oogmerk van (min of meer) hetzelfde criminele samenwerkingsverband: een eerste vervolging voor een organisatie gericht op drugshandel en (gewoonte)witwassen, en een tweede voor een organisatie gericht op geweld. De maatstaf: er moet in feitelijk opzicht een voldoende duidelijk verschil kunnen worden gemaakt wat betreft de oogmerk-misdrijven en de daarmee samenhangende deelnemingsgedragingen, zoals omschreven in de tenlasteleggingen. Daarmee bouwt de Hoge Raad de vergelijkingsfactoren van ECLI:NL:HR:2011:BM9102 (bevestigd in ECLI:NL:HR:2023:1559) uit naar de context van het abstracte gevaarzettingsdelict van art. 140 Sr; het arrest is verwant aan ECLI:NL:HR:2021:387 over de verhouding tussen concreet delict en organisatiedeelneming.

Didactisch opvallend is de deels gegronde rechtsklacht zonder cassatie: het hof getuigde van een onjuiste rechtsopvatting door 26Sartell op art. 11b Opiumwet toe te snijden, maar de feitelijke pijlers (andersoortig oogmerk, geen één feitencomplex, kortere periode, andere deelnemers) dragen het oordeel zelfstandig. De Hoge Raad wijkt daarmee af van A-G Frielink, die ook die feitelijke pijler onbegrijpelijk achtte en wees op de spiegelbeeldige uitkomst bij het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2024:1102), waar het OM ten aanzien van de leidinggevende juist niet-ontvankelijk werd verklaard. Die frictie — de leider profiteert wél van ne bis in idem, de rechterhand niet — markeert dit arrest als grensgeval dat kritische aandacht verdient.

Voor de witwaspraktijk is de relevantie indirect maar concreet: (gewoonte)witwassen (art. 420bis/ter Sr) fungeert hier als oogmerk-misdrijf waarmee het OM een 140 Sr-organisatie “kleurt”. Het arrest bevestigt dat de witwas- en drugspoot van een organisatie in een eerste vervolging kan worden afgedaan zonder dat een latere vervolging voor de geweldspoot afketst op art. 68 Sr — mits de feitelijke scheiding deugdelijk in de tenlasteleggingen is aangebracht. Dat is van groot belang voor EncroChat-onderzoeken die door meerdere parketten in deelonderzoeken worden opgeknipt. De kern-witwasleerstukken uit de doctrinaire lijnen — de kwalificatie-uitsluitingsgrond, het witwasvermoeden en de datumgrens van 1 januari 2017 — spelen in dit arrest géén rol; het is voor de witwasdoctrine een randarrest, maar voor tenlasteleggings- en vervolgingsstrategie in ondermijningszaken een kernbeslissing binnen de art. 68 Sr-lijn.

Conclusie A-G

A-G Frielink (ECLI:NL:PHR:2025:1052) concludeerde tot vernietiging en terugwijzing. Volgens de advocaat-generaal hanteerde het hof weliswaar het juiste toetsingskader voor “hetzelfde feit” (art. 68 Sr), maar was de invulling onjuist én onbegrijpelijk: in 26Sartell was art. 140 Sr (niet art. 11b Opiumwet) tenlastegelegd, zodat rechtsgoed en strafmaximum in beide zaken gelijk waren, en het oordeel dat geen sprake was van één feitencomplex achtte de advocaat-generaal zonder nadere motivering onbegrijpelijk (dezelfde leider, dezelfde rol van de verdachte, dezelfde drugscontext). De advocaat-generaal wees bovendien op de spiegelbeeldige, onherroepelijke niet-ontvankelijkverklaring van het OM ten aanzien van de leidinggevende door het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2024:1102).

De Hoge Raad volgt de advocaat-generaal niet in de uitkomst: de rechtsklacht over de juridische aard is weliswaar terecht voorgesteld, maar de overwegingen over het aanzienlijke verschil in gedragingen dragen het oordeel van het hof zelfstandig, zodat het beroep wordt verworpen.