Herkomstverklaring bitcoins te snel gepasseerd; witwasoordeel vernietigd (ECLI:NL:HR:2026:441)

ECLI:NL:HR:2026:441 — Hoge Raad, 2026-03-17 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte is door het hof Den Haag veroordeeld voor onder meer gewoontewitwassen (art. 420bis jo. 420ter Sr) van een groot aantal bitcoins met een tegenwaarde van € 613.260,92, die via een account bij een buitenlandse aanbieder waren omgezet in euro’s en dollars en deels op debetkaarten waren geladen en naar bankrekeningen van derden overgemaakt. Het hof nam een witwasvermoeden aan (geen legale inkomensbron sinds 2012, wel omvangrijk bitcoinbezit) en achtte de herkomstverklaring van de verdachte — de aanschaf van 1.982 bitcoins in 2012/2013 voor € 12.000, onderbouwd met een borgstellingsverklaring en getuigenverklaringen, plus de exponentiële koersstijging — ontoereikend, omdat hij de relatie met de bitcoins op zijn account niet inzichtelijk had gemaakt en de hardware-wallet niet had verstrekt.

De Hoge Raad oordeelt, onder aanhaling van het kader uit HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is: de verklaring was concreet en met getuigenverklaringen onderbouwd, en het niet verstrekken van meer informatie of de USB-stick staat niet in de weg aan die verklaring en aan de mogelijkheid daarnaar nader onderzoek te doen. Ook het middel over de onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen slaagt. De Hoge Raad vernietigt ten aanzien van feit 1, de strafoplegging en de onttrekking, wijst terug naar het hof Den Haag en verwerpt het beroep voor het overige (grotendeels art. 81 RO).

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest is een zuivere bevestiging van de bewijslijn rond het bestanddeel “uit enig misdrijf afkomstig” zonder aanwijsbaar gronddelict, zoals gevestigd in het ankerarrest HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, en woordelijk geherformuleerd in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 — het kader dat de Hoge Raad hier expliciet aanhaalt. Het brengt geen nieuwe rechtsregel, maar markeert scherp de grens van stap drie van het samenspel witwasvermoeden → verklaring → toets: geeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring, dan ligt nader onderzoek op de weg van het openbaar ministerie. De rechter mag die verklaring niet diskwalificeren op de grond dat de verdachte de herkomstketen niet zélf sluitend heeft gemaakt.

Dat is precies wat het hof deed. De aanschaf van bijna 2.000 bitcoins in 2012/2013 voor € 12.000 was onderbouwd met een borgstellingsverklaring en getuigenverklaringen, en de gestelde koersstijging kon het vermogen in 2017 verklaren. Door te verlangen dat de verdachte via walletadressen of een hardware-wallet de relatie met de bitcoins op zijn account inzichtelijk maakte, schoof het hof feitelijk de bewijslast naar de verdachte — de verkapte bewijslastomkering waartegen de Hoge Raad sinds BM0787 waakt. De Hoge Raad kiest een motiveringsingang (“niet zonder meer begrijpelijk”), waar A-G Frielink daarnaast een onjuiste rechtsopvatting signaleerde; de uitkomst is dezelfde.

De crypto-dimensie geeft het arrest extra praktisch gewicht: juist bij bitcoins is de blockchain in beginsel onderzoekbaar, zodat het niet verstrekken van een stick niet aan verifieerbaarheid en OM-onderzoek in de weg staat. Het arrest sluit naadloos aan bij HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1153 (onderbouwde leningsverklaring vergt nader onderzoek OM) en past in een reeks crypto-witwaszaken waarin de Hoge Raad streng op de motivering toetst, in beide richtingen: HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:888 (vrijspraken vernietigd) en HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:52 (extrapolatie walletpercentage ontoereikend gemotiveerd). Ook de motiveringseis van HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:846 resoneert: het witwasoordeel moet uit de bewijsvoering volgen, niet uit wat de verdachte naliet aan te tonen.

Nevenpunt: de onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen sneuvelt eveneens, in lijn met HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:571 — onttrekking vergt dat het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of het algemeen belang, wat bij horloges en merkkleding niet zonder meer opgaat. De kwalificatie-uitsluitingsgrond en de datumgrens van 1 januari 2017 spelen in deze zaak geen rol: het geschil draait volledig om het herkomstbestanddeel. Voor de praktijk (OM, verdediging, zittende magistratuur) is de les: een onderbouwd herkomstverhaal, ook bij crypto, dwingt tot onderzoek — niet tot een verwijt.

Conclusie A-G

A-G Frielink concludeerde tot vernietiging wat betreft feit 1 (gewoontewitwassen), de strafoplegging en de onttrekking aan het verkeer, met terugwijzing, en tot verwerping voor het overige. Volgens de advocaat-generaal was het oordeel van het hof dat geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke herkomstverklaring was gegeven onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd, en lag daarin bovendien een verkapte bewijslastomkering besloten; ook de onttrekking van voorwerpen als horloges en merkkleding achtte de advocaat-generaal niet begrijpelijk gemotiveerd. De Hoge Raad volgt de conclusie in de uitkomst vrijwel volledig, zij het dat hij bij het witwasmiddel volstaat met een motiveringsoordeel (“niet zonder meer begrijpelijk”) en bij de onttrekking verwijst naar de conclusie.

Eerder op deze site