ECLI:NL:HR:2026:52 — Hoge Raad, 2026-01-20 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
De verdachte handelde tussen december 2014 en april 2017 als bitcoinhandelaar: via een Marktplaats-advertentie wisselde hij bitcoins van derden om in contant geld, tegen een fee van 3 tot 5 procent, veelal bij een McDonald’s. In totaal zette hij € 3.594.634,56 aan bitcoins om in euro’s. Het hof veroordeelde hem voor medeplegen van schuldwitwassen (art. 420quater Sr) ten aanzien van 10,65% van dat bedrag (€ 382.828,58): uit chain analysis van één van zijn wallets bleek dat 10,65% van de daarin gestorte bitcoins van darknet markets afkomstig was, en het hof achtte buiten redelijke twijfel dat dit percentage voor álle wallets gold — mede omdat de onderzochte wallet lang in gebruik was, er een zeer groot deel van alle ontvangen bitcoins in was gestort, de verdachte geen onderscheid tussen zijn wallets maakte en één transactie van 33,34 bitcoins in een andere wallet eveneens van een darknet market (DutchMagic) bleek te komen.
Het tweede cassatiemiddel klaagt over dit extrapolatie-oordeel. De Hoge Raad acht het oordeel ontoereikend gemotiveerd: de door het hof genoemde omstandigheden kunnen de vaststelling dat 10,65% van het totale omgezette bedrag crimineel is niet dragen, en de losse DutchMagic-transactie maakt dat niet anders. Het middel slaagt; de overige middelen blijven onbesproken. De Hoge Raad vernietigt uitsluitend de beslissingen over het subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden.
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest is een klassieke motiveringscassatie binnen de bewijslijn van het ankerarrest HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787 (zoals geherformuleerd in ECLI:NL:HR:2018:2352): zonder vaststaand gronddelict kan criminele herkomst slechts worden bewezen als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden “niet anders kan zijn dan” dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. De Hoge Raad vestigt geen nieuwe rechtsregel, maar markeert een praktisch belangrijke grens voor cryptozaken: een met chain analysis op één wallet vastgesteld crimineel-herkomstpercentage mag niet zonder meer worden geëxtrapoleerd naar alle wallets en daarmee naar het totale omgezette volume. Representativiteits-indicaties — lange gebruiksduur van de onderzochte wallet, een groot aandeel van alle ontvangen bitcoins daarin, de verklaring van de verdachte dat hij geen onderscheid tussen wallets maakte, plus één bevestigende transactie in een andere wallet — kunnen hooguit een vermoeden voeden, maar dragen niet de kwantitatieve vaststelling dat óók van de niet-onderzochte wallets precies 10,65% crimineel was. Daarmee verlengt het arrest de motiverings-substroom van ECLI:NL:HR:2019:846: redengevende vaststellingen moeten daadwerkelijk uit de bewijsvoering volgen.
Doctrinair interessant is de precisering die in de conclusie van A-G Van Kempen (ECLI:NL:PHR:2025:1129) besloten ligt en waarmee de uitkomst spoort: het uitblijven van een concrete, verifieerbare herkomstverklaring van de verdachte kan een kwantitatief gat in de bewijsvoering niet dichten. De verklaringstoets uit het BM0787-kader ziet op de herkomst, niet op de omvang van het criminele deel. Dat bewaakt de grens met bewijslastomkering.
Onaangetast blijft — want door de Hoge Raad onbesproken gelaten — het oordeel van het hof dat herkomst uit een darknet market, gecombineerd met het feit van algemene bekendheid dat zulke markets vrijwel uitsluitend voor criminele transacties worden gebruikt en het uitblijven van een verklaring, het “niet anders dan”-oordeel voor het wél getraceerde deel kan dragen; de advocaat-generaal achtte die redenering via het witwasvermoeden-kader houdbaar (vgl. ECLI:NL:HR:2022:44 over feiten van algemene bekendheid). Opvallend genuanceerd was het hof overigens al zelf: voor de overige 89,35% van de € 3,6 miljoen achtte het de witwasindicatoren onvoldoende — typologieën alléén volstaan niet.
De kwalificatie-uitsluitingsgrond en de datumgrens van 1 januari 2017 spelen hier geen rol: het gaat om voorwerpen uit andermans misdrijf en om culpoos witwassen. Het arrest sluit aan bij de eerdere bitcoinwisselzaak ECLI:NL:HR:2024:888: in beide richtingen (OM- én verdachte-cassatie) toetst de Hoge Raad de bewijsmotivering in cryptozaken scherp.
Conclusie A-G
A-G Van Kempen (conclusie van 11 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1129) concludeerde tot vernietiging en terugwijzing. Volgens de advocaat-generaal faalt het eerste middel (over het feit van algemene bekendheid dat darknet markets vrijwel uitsluitend voor criminele transacties worden gebruikt), maar slaagt het tweede middel: de door het hof genoemde omstandigheden rechtvaardigen hooguit het vermoeden dat ook naar andere wallets darknet-bitcoins gingen, niet dat daarvan eveneens precies 10,65% crimineel was, en het uitblijven van een herkomstverklaring zegt niets over die hoeveelheid. Ook het derde middel (inzendtermijn) slaagt volgens de advocaat-generaal. De Hoge Raad volgt de conclusie in de uitkomst: het tweede middel slaagt op de door de A-G aangedragen grond; de overige middelen blijven onbesproken, zodat de Hoge Raad zich — anders dan de advocaat-generaal — niet uitspreekt over het feit-van-algemene-bekendheid-punt.
Eerder op deze site
- Vrijspraken verhullen en opzetwitwassen bij bitcoins vernietigd (ECLI:NL:HR:2024:888) — Verwante bitcoinwisselzaak waarin de Hoge Raad — daar op OM-cassatie tegen vrijspraken — eveneens scherp toetste op de motivering van het bewijs van criminele herkomst van cryptovaluta; samen tonen beide arresten dat die toets in cryptozaken beide kanten op werkt.