Geen gewoonte van schuldwitwassen: art. 420ter Sr vereist opzet (ECLI:NL:HR:2025:1516)

ECLI:NL:HR:2025:1516 — Hoge Raad, 2025-10-14 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte fungeerde als financiële schakel in een crimineel samenwerkingsverband: zijn bankrekening en een op naam van een B.V. staande rekening werden gebruikt voor contante stortingen en doorboekingen (huur van loodsen, borgsommen voor Mercedessen, contant “salaris”), in totaal ruim € 106.000. Het hof Amsterdam sprak vrij van het opzetbestanddeel “wisten”, verklaarde bewezen dat de verdachte en zijn mededaders “redelijkerwijs moesten vermoeden” dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren, maar hield tegelijk het onderdeel “en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt” in stand en kwalificeerde als (medeplegen van) gewoontewitwassen.

Het eerste cassatiemiddel klaagde over dit gewoonte-oordeel. De Hoge Raad oordeelt dat het gewoonte-bestanddeel van art. 420ter lid 1 Sr betrekking heeft op opzettelijk witwassen als bedoeld in art. 420bis lid 1 Sr en niet kan worden bewezenverklaard als de gedragingen telkens schuldwitwassen opleveren. Door na de partiële vrijspraak van “wisten” toch de gewoonte bewezen te verklaren, heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten. De Hoge Raad doet zelf af: hij spreekt vrij van het gewoonte-onderdeel, kwalificeert het bewezenverklaarde als schuldwitwassen, meermalen gepleegd, en medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd, en wijst de zaak uitsluitend voor de strafoplegging terug naar het hof. De overige middelen — waaronder een klacht over het witwasvermoeden en de herkomstverklaring — worden met art. 81 lid 1 RO verworpen.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest expliciteert voor het eerst in een gemotiveerde overweging van de Hoge Raad dat art. 420ter Sr geen culpoze variant kent: “gewoonteschuldwitwassen” bestaat niet. Het gewoonte-bestanddeel veronderstelt opzetwitwassen (art. 420bis lid 1 Sr); wie na vrijspraak van “wist” alleen culpa overhoudt, kan hooguit voor schuldwitwassen (meermalen gepleegd) worden veroordeeld. De Hoge Raad grondt dit op de wetsgeschiedenis, waarin art. 420ter uitdrukkelijk als gekwalificeerde variant van het opzettelijke witwassen is gepresenteerd, analoog aan gewoonteheling.

Doctrinair vult het arrest een lacune in de lijn over gewoontewitwassen. De verhouding tussen art. 420ter en het eenvoudig witwassen was al beslist in HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:321 (geen specialis-verhouding); de verhouding tussen art. 420ter en art. 420quater was tot dusver niet door een gemotiveerd cassatiearrest gedekt. Dit is dus een nieuwe, koerszettende regel voor de kwalificatiepraktijk, geen loutere toepassing van bestaand kader.

De praktische les zit in de standaard-tenlastelegging “wist althans redelijkerwijs moest vermoeden … en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt”. Kiest de feitenrechter de culpa-variant, dan moet het gewoonte-onderdeel sneuvelen; laat hij het staan, dan verlaat hij de grondslag, omdat de gewoonte-uitdrukking wordt geacht te zijn gebruikt in de betekenis van art. 420ter Sr. De consequentie is groot: het strafmaximum kantelt van acht jaar (art. 420ter) naar twee jaar (art. 420quater) — reden waarom de Hoge Raad de strafoplegging terugwijst. Voor het OM betekent dit dat de gewoonte alleen bij het opzetdeel van de tenlastelegging hoort; voor rechters dat de keuze voor culpa dwingend doorwerkt in bewezenverklaring én kwalificatie. Illustratief is verder de doelmatige afdoening: partiële vrijspraak en kwalificatieverbetering door de Hoge Raad zelf, met terugwijzing uitsluitend voor de straf.

Het bewijskader van het witwasvermoeden (HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352) speelde in feitelijke aanleg wel — contante stortingen zonder verklaarbaar inkomen, tussenrekening met betaalomschrijvingen, ontbreken van een concrete herkomstverklaring — maar de klacht daarover is met art. 81 RO verworpen: op dat punt vormt dit arrest dus geen rechtsregel; wie de toepassing wil bestuderen is aangewezen op de conclusie van A-G Frielink (ECLI:NL:PHR:2025:767). De casus sluit feitelijk aan bij de geldezel-/tussenrekening-lijn (HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:871; HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1719). De kwalificatie-uitsluitingsgrond en de datumgrens van 1 januari 2017 zijn hier niet aan de orde: de feiten dateren van 2019-2020 en het geld was afkomstig uit andermans misdrijf.

Conclusie A-G

A-G Frielink (ECLI:NL:PHR:2025:767) achtte het eerste middel terecht voorgesteld: uit de wetsgeschiedenis van art. 420ter Sr volgt dat “witwassen” daarin uitsluitend ziet op opzetwitwassen (art. 420bis Sr), zodat een gewoonte van schuldwitwassen niet strafbaar is gesteld. Door na vrijspraak van “wisten” toch de gewoonte bewezen te verklaren, had het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten. De conclusie strekte tot partiële vernietiging, vrijspraak door de Hoge Raad zelf van het gewoonte-onderdeel, kwalificatieverbetering naar (medeplegen van) schuldwitwassen en terugwijzing voor de strafoplegging; de overige middelen — waaronder de klacht over het witwasvermoeden en het ontbreken van een concrete, verifieerbare herkomstverklaring — moesten volgens de A-G falen. De Hoge Raad volgt de conclusie integraal, met een iets strakker geformuleerde regel (rov. 2.4.2) en de toevoeging “meermalen gepleegd” in de kwalificatie; de overige middelen worden met art. 81 lid 1 RO afgedaan.