ECLI:NL:HR:2005:AT4094 — Hoge Raad, 2005-09-27 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
De verdachte werd op Schiphol aangehouden toen zij, samen met een reisgenoot, zonder ruimbagage naar Spanje wilde reizen. In haar handbagage werd € 25.000 aangetroffen, verstopt in bundels van 500 biljetten van € 50 in een spijkerbroek en een toilettas. Zij verklaarde wisselend over reisdoel, herkomst en bestemming van het geld en deed vrijwillig afstand van het bedrag. Het hof veroordeelde haar wegens schuldwitwassen (art. 420quater Sr) tot twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met verbeurdverklaring.
Het vijfde middel klaagde dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, had aangenomen dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was. De Hoge Raad herhaalt zijn arrest van 28 september 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AP2124): uit de bewijsmiddelen hoeft niet te volgen uit welk nauwkeurig aangeduid misdrijf het voorwerp afkomstig is — door wie, wanneer en waar dat is begaan — en oordeelt uitdrukkelijk dat er geen grond is om ten aanzien van art. 420quater Sr anders te oordelen. Het hofoordeel dat het “niet anders kan zijn dan” dat het geld uit misdrijf afkomstig is, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd, gelet op acht opgesomde omstandigheden, waaronder de verhulde wijze van vervoer, de wisselende verklaringen en het feit van algemene bekendheid dat Schiphol niet zelden wordt gebruikt voor de doorvoer van criminele voorwerpen.
Het middel over de verbeurdverklaring strandt bij gebrek aan belang wegens de afstandsverklaring; de overige middelen worden met art. 81 RO verworpen. Het beroep wordt verworpen.
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest is een vroege maar wezenlijke bouwsteen in de bewijslijn “uit enig misdrijf afkomstig”. Het brengt twee dingen.
Ten eerste breidt de Hoge Raad de regel van ECLI:NL:HR:2004:AP2124 — gewezen voor opzetwitwassen (art. 420bis Sr) — expliciet uit naar schuldwitwassen: ook voor art. 420quater Sr hoeft geen nauwkeurig aangeduid gronddelict uit de bewijsmiddelen te volgen; voldoende maar ook vereist is dat vaststaat dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Daarmee is het delictsoverstijgende karakter van het herkomstbestanddeel bevestigd: de bewijsconstructie is voor de opzet- en de culpavariant identiek; alleen de subjectieve maatstaf (weten versus redelijkerwijs moeten vermoeden) verschilt.
Ten tweede is dit arrest een proto-versie van het latere ankerarrest HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787. De formule die de Hoge Raad hier sauveert — het kan “niet anders zijn dan” dat het geld uit misdrijf afkomstig is — wordt in 2010 tot algemene maatstaf verheven en in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 geherformuleerd tot het vaste stappenschema (witwasvermoeden → verlangde concrete, verifieerbare verklaring → nader onderzoek OM). AT4094 toont hoe die maatstaf feitelijk wordt gevuld: klassieke witwasindicatoren (groot contant bedrag in coupures van € 50, verstopt vervoer, geen ruimbagage, aparte rijen bij de security-check, Schiphol als bekende doorvoerroute) gecombineerd met wisselende en tegenstrijdige verklaringen van de verdachte. Ook de kiem van de latere verklaringstoets is zichtbaar: het hof onderzocht het alternatieve herkomstscenario (een geldlening) en verwierp dat gemotiveerd als achteraf geconstrueerd, nu de rente pas elf maanden na de aanhouding zou zijn betaald.
De conclusie van A-G Vellinga documenteert het onderliggende spanningsveld: de wetgever schrapte bewust het woord “kennelijk” en beoogde geen bewijslastverlichting, terwijl typologisch bewijs daar dicht tegenaan schuurt. Dat de Hoge Raad de bewijsvoering niettemin — en soepeler dan de A-G — aanvaardt, markeert de start van de route die de latere rechtspraak heeft genormeerd, met als waarborg dat de bewijslast bij het OM blijft en zwijgen geen zelfstandig bewijs oplevert.
Voor de huidige praktijk vestigt het arrest geen nieuw recht meer, maar het blijft didactisch waardevol als voorgeschiedenis van het witwasvermoeden-kader en als illustratie van de geldkoerier-casuïstiek. De kwalificatie-uitsluitingsgrond en de datumgrens van 1 januari 2017 spelen hier niet: het geld was van een ander; de verdachte was koerier. Bijvangst voor de beslagpraktijk: wie afstand doet van het geld, mist belang bij een cassatieklacht over de verbeurdverklaring.
Conclusie A-G
A-G Vellinga concludeerde tot verwerping van het beroep; de Hoge Raad volgt die uitkomst, maar via een deels eigen route. De A-G plaatste de zaak kritisch in de wetsgeschiedenis: de wetgever schrapte bewust het woord “kennelijk” en beoogde geen bewijslastverlichting, terwijl de bewijsvoering van het hof — herkomst afgeleid uit typologische kenmerken zonder concreet gronddelict — daar sterk aan doet denken. De A-G signaleerde bovendien dat de door het hof genoemde “wisselende verklaringen” niet volledig uit de bewijsmiddelen volgden, en redde de bewezenverklaring via de ervaringsregel dat heimelijk uitgevoerde grote contante bedragen plegen samen te hangen met drugscriminaliteit, gecombineerd met het zwijgen van de verdachte en de als gefingeerd beoordeelde geldlening. De Hoge Raad neemt deze scrupules niet over: hij acht de bewijsvoering van het hof, inclusief de wisselende verklaringen en het feit van algemene bekendheid over Schiphol, zonder meer toereikend. Bij de verbeurdverklaring kiest de Hoge Raad eveneens een andere weg: verwerping wegens gebrek aan belang na de afstandsverklaring, waar de A-G het middel inhoudelijk verwierp.
Eerder op deze site
- Geen concreet gronddelict vereist voor witwasbewijs (ECLI:NL:HR:2004:AP2124) — Parent-arrest: AT4094 breidt de daar voor art. 420bis Sr gevestigde regel dat geen nauwkeurig aangeduid gronddelict hoeft te worden bewezen expliciet uit naar schuldwitwassen (art. 420quater Sr).
- Herkomst voorwerp, niet schuld erflater, bepaalt witwasbewijs (ECLI:NL:HR:2026:955) — Zelfde bewijslijn (herkomst uit enig misdrijf zonder vaststaand gronddelict) die met AT4094 vroeg vorm kreeg en tot op heden doorloopt.