‘Geld’ naar algemeen spraakgebruik: ook cheque onder witwasbepaling (ECLI:NL:HR:2005:AT8314)

,

ECLI:NL:HR:2005:AT8314 — Hoge Raad, 2005-09-27 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte was door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba veroordeeld wegens onder meer passieve ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en het feitelijk leiding geven aan culpoos ‘voordeel trekken’ uit door misdrijf verkregen geld (art. 3 lid 2 Landsverordening strafbaarstelling witwassen van geld). Een stichting had een perceel grond verworven, waarbij de betaling deels geschiedde met een bankierscheque van NAF 106.913,65; daarvan was NAF 100.000 verkregen door het aannemen van steekpenningen. Het hof sprak vrij van opzetwitwassen, maar achtte de culpavariant bewezen: de ontvangst van zo’n groot bedrag vlak voor de notariële overdracht had vragen over de herkomst moeten oproepen, temeer nu de enige eerdere vergelijkbare bijschrijving — naar de verdachte wist — steekpenningen betrof.

Het vierde cassatiemiddel klaagde dat het hof het bestanddeel ‘geld’ te ruim had uitgelegd: nu de bepaling daarnaast ‘geldswaardige papieren’ en ‘vorderingen’ noemt, zou ‘geld’ beperkt (chartaal) moeten worden opgevat, zodat betaling per cheque erbuiten valt. De Hoge Raad verwerpt die lezing: de wetgever heeft ‘geld’ niet nader toegelicht, zodat het naar algemeen spraakgebruik moet worden verstaan. Dat een verschijningsvorm ook onder een andere categorie kan vallen, dwingt niet tot een beperkte uitleg; overlap is toegestaan. Die uitleg strookt met het doel van effectieve witwasbestrijding, ongeacht de verschijningsvorm van het geld. De overige middelen worden met art. 81 RO afgedaan. Het beroep wordt verworpen.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest betreft niet de Nederlandse art. 420bis e.v. Sr, maar de Antilliaanse Landsverordening strafbaarstelling witwassen van geld — concordant witwasrecht dat, net als de Nederlandse titel XXXA, is gestoeld op het Verdrag van Straatsburg 1990. Ook de delictsvariant is atypisch voor de Nederlandse praktijk: het culpoze ‘voordeel trekken’ uit door misdrijf verkregen geld, een figuur die functioneel dicht aanligt tegen ‘gebruik maken’ in art. 420bis lid 1 onder b en 420quater Sr.

Ruime, teleologische uitleg van het object. De doctrinaire kern is de uitleg van het bestanddeel ‘geld’. De Hoge Raad kiest voor een spraakgebruik-uitleg en aanvaardt uitdrukkelijk dat de categorieën ‘geld’, ‘geldswaardige papieren’ en ‘vorderingen’ elkaar kunnen overlappen; een enge lezing zou het door de wetgever beoogde doel — effectieve witwasbestrijding, ongeacht de verschijningsvorm van het geld — doorkruisen. Deze redeneerstijl prefigureert de latere ruime uitleg van ‘voorwerp’ in art. 420bis lid 2 Sr, dat alle zaken en vermogensrechten omvat, inclusief giraal geld en cryptovaluta. Een girale betaling of cheque valt dus niet buiten de witwasbepaling omdat het geen chartaal geld is.

Culpa-redenering avant la lettre. De door het hof gevolgde en in cassatie in stand gebleven redenering — een stichting zonder legale inkomstenbron ontvangt vlak voor een grondtransactie een groot bedrag, terwijl de enige eerdere substantiële bijschrijving bekende steekpenningen betrof, zodat de herkomst vragen moest oproepen en niet zonder nader onderzoek mocht worden gehandeld — is een vroege verschijning van het redeneerpatroon dat de Hoge Raad in het bewijsarrest HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, voor het witwasvermoeden en de verklaringstoets zou systematiseren. Dat onderdeel is hier evenwel onder art. 81 RO afgedaan, zodat het arrest op dat punt geen koerszettende regel bevat.

Positionering in de doctrinaire lijnen. Het arrest dateert van vóór HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7923, en de kwalificatie-uitsluitingsgrondrechtspraak; de eigen-misdrijfproblematiek speelt hier ook niet, nu het hof juist vrijsprak van opzetwitwassen en de culpavariant bewezen achtte. Ook de datumgrens van 1 januari 2017 (eenvoudig witwassen, HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842) is voor deze Antilliaanse casus niet relevant, hooguit als didactisch contrast.

Classificatie. Koerszettend is het arrest alleen op het smalle punt van de uitleg van ‘geld’ in de toenmalige Antilliaanse verordening; voor het Nederlandse witwasrecht is het een bevestigend en illustratief arrest in de lijn ‘ruim object, teleologische uitleg’, met historische waarde als vroege toepassing van de culpamaatstaf op een onverklaard groot geldbedrag.

Conclusie A-G

A-G Vellinga concludeerde tot verwerping (ECLI:NL:PHR:2005:AT8314). Over het vierde middel betoogde de advocaat-generaal dat de wetgever blijkens de memorie van toelichting streefde naar effectieve witwasbestrijding en een zo volledig mogelijke opsomming van vermogensobjecten, zodat de categorieën ‘geld, geldswaardige papieren of vorderingen’ niet zo moeten worden gelezen dat zij elkaar uitsluiten; subsidiair zag de advocaat-generaal ruimte voor herstel van een kennelijke vergissing in de tenlastelegging, nu de cheque onmiskenbaar onder ‘geldswaardige papieren’ zou vallen. Ook de culpa-redenering van het hof achtte de advocaat-generaal niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad volgt de A-G in uitkomst én in de kernredenering (uitleg naar algemeen spraakgebruik, overlappende categorieën toegestaan); aan de subsidiaire herstelroute komt de Hoge Raad niet toe. De overige middelen zijn conform het advies met art. 81 RO afgedaan.