Geen concreet gronddelict vereist voor witwasbewijs (ECLI:NL:HR:2004:AP2124)

ECLI:NL:HR:2004:AP2124 — Hoge Raad, 2004-09-28 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

Een geldkoerier wordt op 19 april 2002 op Schiphol aangehouden op weg naar Bonaire. Bij visitatie blijkt hij €24.000 aan bankbiljetten in pakketjes op zijn enkels, in zijn broeksband en broekzak te dragen, naast een pakketje marihuana. Hij verklaart dat het geld van zijn opdrachtgever is, dat hij dacht dat het “van drugs of stelen” afkomstig was, dat de opdrachtgever zijn ticket kocht, hem opdroeg het geld op zijn lichaam te verbergen en bij aanhouding niet te zeggen van wie het geld was. Het hof veroordeelt voor witwassen (art. 420bis Sr).

Het middel klaagt dat het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, omdat een nauwkeurig aangeduid misdrijf vereist zou zijn. De Hoge Raad verwerpt die rechtsopvatting: gelet op doel, strekking en wetsgeschiedenis van art. 420bis Sr is niet vereist dat de rechter identificeert welk misdrijf aan het voorwerp ten grondslag ligt, noch door wie, wanneer en waar dat misdrijf is begaan. Het hof heeft uit de vastgestelde omstandigheden kennelijk afgeleid dat het “niet anders kan zijn dan dat” het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Het beroep wordt, conform de conclusie van de advocaat-generaal, verworpen.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest is het historische fundament van de bewijslijn rond het bestanddeel “uit enig misdrijf afkomstig”. Gewezen nog geen drie jaar na de inwerkingtreding van art. 420bis Sr (14 december 2001), legt de Hoge Raad hier al twee bouwstenen neer die later worden toegeschreven aan het ankerarrest HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787: (i) een nauwkeurig aangeduid gronddelict is niet vereist — met de verduidelijking dat evenmin hoeft te blijken door wie, wanneer en waar het misdrijf is begaan — en (ii) de maatstaf dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden moet volgen dat het “niet anders kan zijn dan dat” het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wat BM0787 in 2010 toevoegt, is het gestructureerde samenspel van witwasvermoeden, van de verdachte te verlangen verklaring en onderzoeksplicht van het OM, later geherformuleerd in ECLI:NL:HR:2018:2352 en toegepast op de kasopstelling in ECLI:NL:HR:2023:1605. AP2124 markeert dus het begin van die lijn, niet een precisering ervan.

Doctrinair interessant is de proto-typologieredenering: de redengevende omstandigheden — een groot contant bedrag verborgen op het lichaam, een geregisseerde koeriersreis met door de opdrachtgever gekocht ticket, anonieme afgifte aan een onbekende die de koerier aan zijn kleding zou herkennen, en een zwijginstructie — zijn avant la lettre de witwastypologieën die later standaard het witwasvermoeden voeden. Een verklaringsplicht-discussie speelde hier niet: de verdachte verklaarde zelf al te denken dat het geld “van drugs of stelen” kwam, zodat het bewijs mede uit zijn eigen verklaring voortvloeide.

Wat het arrest níet raakt: de kwalificatie-uitsluitingsgrond speelt geen rol, omdat het geld uit andermans misdrijf afkomstig was (koerier voor een opdrachtgever); die rechtspraak begint bovendien pas met ECLI:NL:HR:2007:BA7923 en ECLI:NL:HR:2010:BM4440. Ook de datumgrens van 1 januari 2017 (eenvoudig witwassen, ECLI:NL:HR:2016:2842) is voor deze casus niet relevant. Naar huidige maatstaven zou het verbergen op het lichaam overigens eenvoudig als verhullingsgerichte gedraging gelden, maar die kwalificatievraag lag hier niet voor.

Voor de praktijk blijft AP2124 de eerste vindplaats van de “niet anders kan zijn dan”-formule en daarmee het startpunt van de leer dat witwassen bewijsbaar is zonder vaststaand gronddelict — de lijn die tot op vandaag doorwerkt in koeriers-, kasopstellings- en vermogensvergelijkingszaken.

Conclusie A-G

Plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens (conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AP2124) acht het middel ongegrond en formuleert een tweesporenmodel voor het bewijs van “afkomstig uit enig misdrijf”: ofwel via een direct verband tussen vastgestelde criminele gedragingen en het geld, ofwel doordat de rechter feiten en omstandigheden vaststelt die tot de slotsom leiden dat het niet anders kan dan dat het geld van misdrijven afkomstig is. Hier deed zich het tweede geval voor: het grote contante bedrag, de door de opdrachtgever geregisseerde koeriersreis, het verbergen op het lichaam, de anonieme afgifte op Bonaire en de zwijginstructie wezen op geld waarvan bestaan en herkomst verborgen moesten blijven, zodat het hof een legale herkomst als hoogst onwaarschijnlijk kon aanmerken. Van een ongeoorloofde bewijslastverlichting of een geschonden responsieplicht is volgens de advocaat-generaal geen sprake; de conclusie strekt tot verwerping. De Hoge Raad volgt de advocaat-generaal volledig, zowel in de verwerping van de rechtsklacht als in de sanctionering van de bewijsconstructie met de “niet anders kan zijn dan”-formule.

Eerder op deze site