ECLI:NL:HR:2025:1491 — Hoge Raad, 2025-10-07 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd. Het ging onder meer om drie fysieke geldtransporten naar Brazilië, uitgevoerd door haar vader in opdracht van haar toenmalige partner; bij het onderschepte transport op 13 februari 2017 werd € 200.000 aangetroffen, verstopt in broekspijpen in de ruimbagage. De rol van de verdachte bestond uit het op verzoek van haar partner boeken en betalen van de vliegtickets; het geld kreeg zij contant terug. Daarnaast waren contante stortingen (€ 26.920) en een contante bijbetaling voor een Fiat Panda bewezenverklaard.
Het derde cassatiemiddel klaagde dat het medeplegen van het witwassen van de geldtransporten niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. De Hoge Raad herhaalt het kader uit ECLI:NL:HR:2016:1316 en ECLI:NL:HR:2017:2640 en oordeelt dat uit de bewijsvoering naar de kern genomen niet meer volgt dan dat de verdachte tickets boekte en betaalde — gedragingen die aan het feit voorafgingen. Om die als bijdrage van voldoende gewicht aan te merken is nadere motivering vereist; de niet toegelichte ‘dekmantel’-overweging van het hof is, mede gelet op het inwisselbaarheidsverweer van de raadsman, onvoldoende. Het middel slaagt. De Hoge Raad vernietigt uitsluitend de beslissingen over het eerste gedachtestreepje (de geldtransporten) en de strafoplegging, wijst terug naar het hof Amsterdam en verwerpt het beroep voor het overige; de eerste twee middelen blijven onbesproken.
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest is in de kern geen witwas-doctrinair maar een deelnemingsarrest in een witwascontext. De witwasconstructie zelf blijft in cassatie onaangetast: het hof paste het klassieke witwasvermoeden-kader toe (typologieën: groot contant bedrag verstopt in broekspijpen, fysiek transport buiten het bankwezen om, ontbrekend legaal inkomen), gevolgd door de toets of een ‘concrete, verifieerbare, niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring’ over de herkomst is gegeven — de lijn van HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, zoals geherformuleerd in ECLI:NL:HR:2018:2352. Ook de vastgestelde wetenschap van de verdachte (tapgesprekken over de geldtelmachine, elastiekjes en de eerdere aanhouding van de broer van haar partner) houdt stand. De datumgrens van 1 januari 2017 en de kwalificatie-uitsluitingsgrond spelen niet: het geld kwam uit andermans misdrijf.
Waar het misgaat is de kwalificatie van de rol als medepleger. Het boeken en betalen van vliegtickets is (a) uitsluitend vóór het feit verricht en (b) naar haar aard een gedraging die met medeplichtigheid in verband pleegt te worden gebracht. Dan geldt de verzwaarde motiveringsplicht uit ECLI:NL:HR:2016:1316 en ECLI:NL:HR:2017:2640: een geringe of ontbrekende rol in de uitvoering moet worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, en dat moet in de bewijsvoering zichtbaar worden gemaakt. Het enkele etiket ‘onmisbare rol’ of ‘dekmantel’ volstaat niet — zeker niet nu de verdediging uitdrukkelijk had aangevoerd dat de rol volledig inwisselbaar was en de rechtbank hooguit medeplichtigheid zag. A-G Van Wees wees er bovendien op dat het scheppen van randvoorwaarden ook bij medeplichtigheid past (vgl. ECLI:NL:HR:2016:1318) en dat het hof geen eigen witwashandeling van de verdachte met de getransporteerde bedragen had vastgesteld.
Het arrest brengt geen nieuwe rechtsregel, maar is een instructieve toepassing en markeert een grensgeval. Het vormt het spiegelbeeld van ECLI:NL:HR:2023:321 (TorRAT), waarin medeplegen van gewoontewitwassen wél standhield; samen tekenen deze arresten de boven- en ondergrens van ‘bijdrage van voldoende gewicht’ bij witwassen in georganiseerd verband. Praktische les voor het OM bij faciliteerders rond geldkoeriers (tickets boeken, vervoer regelen): kies óf voor medeplichtigheid, óf onderbouw bij medeplegen concreet wat de betrokkene bijdroeg aan plan, organisatie of uitvoering. Interessant contrast met de geldezel-lijn (ECLI:NL:HR:2025:871): daar is de rekeninghouder zélf pleger vanwege feitelijke zeggenschap over het geld; hier was juist geen enkele zeggenschap over de getransporteerde bedragen vastgesteld.
Conclusie A-G
A-G Van Wees (ECLI:NL:PHR:2025:742) concludeerde tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft het eerste gedachtestreepje van feit 1 en de strafoplegging, met terugwijzing naar het hof Amsterdam. De eerste twee middelen (ontbrekende bewijsgrondslag voor de transporten in 2016 respectievelijk een innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsvoering) achtte de advocaat-generaal afdoenbaar met art. 81 RO. Het derde middel slaagde volgens de A-G: het hof stelde geen eigen witwashandeling van de verdachte vast, haar bijdrage (tickets boeken en betalen) werd uitsluitend vóór het feit geleverd zodat compensatie door een grotere rol in de voorbereiding vereist was (ECLI:NL:HR:2017:2640), en de ‘dekmantel’-redenering redt het oordeel niet omdat ook medeplichtigheid uit het scheppen van randvoorwaarden kan bestaan (ECLI:NL:HR:2016:1318). De Hoge Raad volgt de conclusie volledig en laat de eerste twee middelen onbesproken.
Eerder op deze site
- Malwarebeheerder medepleger van gewoontewitwassen bij TorRAT-fraude (ECLI:NL:HR:2023:321) — Spiegelbeeld van het onderhavige arrest: daar hield medeplegen van (gewoonte)witwassen wél stand, zodat beide arresten samen de boven- en ondergrens van 'bijdrage van voldoende gewicht' bij witwassen in georganiseerd verband markeren.
- Redengevende witwasomstandigheden moeten herleidbaar zijn tot bewijsmiddelen (ECLI:NL:HR:2020:1904) — Feitelijk en doctrinair verwante zaak (vrouw handelt in opdracht van partner met contant geld) waarin de Hoge Raad eveneens casseerde op een motiveringsgebrek in de witwasbewijsvoering, zij het op een ander bestanddeel.