ECLI:NL:HR:2025:740 — Hoge Raad, 2025-05-13 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
De betrokkene is in de strafzaak veroordeeld voor onder meer het als leider deelnemen aan een criminele organisatie gericht op Opiumwetmisdrijven, het medeplegen van gewoontewitwassen en heroïnevervoer. Het hof schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 36e lid 2 Sr) op € 494.109: € 58.746 via een “kasopstelling” over 2012-2014 en € 435.363 via een transactieberekening over 2015 (545,25 kg heroïne, winstmarge € 2.402 per kilo, verdeelsleutel een derde).
De eerste twee cassatiemiddelen klagen over de motivering van de schatting. De Hoge Raad acht beide gegrond. De schatting over 2012-2014 is ontoereikend gemotiveerd: de enkele optelling van contante uitgaven, zonder vaststellingen over een eventueel beginsaldo aan contanten en legale inkomstenbronnen, volstaat niet; bovendien zijn de vindplaatsen van de bedragen onvoldoende nauwkeurig vermeld en is niet vastgesteld uit welke feiten het voordeel is verkregen. Ook de transactieberekening schiet tekort: de verdediging heeft de gemiddelde winstmarge voldoende gemotiveerd betwist (onder verwijzing naar OVC-gesprekken waaruit aanzienlijk lagere marges en genegeerde kosten volgen), zodat het hof — gelet op het motiveringskader van HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087 — nauwkeurig had moeten benoemen op welke feiten en omstandigheden de verwerping van dat verweer berust. Het derde middel (verdeelsleutel) wordt met art. 81 RO afgedaan. Volgt vernietiging en terugwijzing naar het hof Amsterdam.
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest brengt geen nieuwe rechtsregel, maar is een instructieve dubbele toepassing van vaste motiveringskaders op het grensvlak van witwassen en ontneming — juist het terrein waar de skill waarschuwt tegen verwarring van bewijsmaatstaven.
Anatomie van de kasopstelling. De Hoge Raad herhaalt vrijwel woordelijk de definitie van de eenvoudige kasopstelling: contante uitgaven en ontvangsten over een periode becijferen, waarbij het negatieve verschil “slechts veroorzaakt kan zijn door een onverklaarde bron”. Een kale optelsom van vier uitgavenposten — zonder beginsaldo, zonder eindsaldo, zonder onderzoek naar legale contante ontvangsten — is dus géén kasopstelling. De overweging dat de betrokkene “geen aannemelijke verklaring” voor de herkomst gaf, kon dat gat niet dichten: de verklaringstoets uit de witwasvermoeden-lijn (HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; herformuleerd in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352) veronderstelt eerst een deugdelijk vastgesteld negatief kasverschil. Een gebrekkige opstelling mag niet via de verklaringsplicht tot een feitelijke bewijslastomkering leiden.
Relatering aan feiten. Anders dan bij de kasopstelling als witwasbewijs in de hoofdzaak (HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1605), waar “enig misdrijf” volstaat, eist de ontneming op grondslag van art. 36e lid 2 Sr dat wordt vastgesteld uit welke feiten — bewezenverklaard of “andere feiten” waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan — het voordeel is verkregen. Dat het hof dit naliet, is een zelfstandige vernietigingsgrond. Relevant is bovendien dat de betrokkene mede voor gewoontewitwassen is veroordeeld: uit de lijn van HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217 volgt dat een witwasbedrag niet zonder meer wederrechtelijk voordeel is.
De voldoende gemotiveerde betwisting. Het meest principiële deel betreft het BV9087-kader (art. 359 lid 3 Sv). Wie een gevolgtrekking uit een financieel rapport — hier: een gemiddelde winstmarge afgeleid uit OVC-gesprekken — voldoende gemotiveerd betwist, dwingt de rechter tot een eigen, uit bewijsmiddelen met nauwkeurige vindplaatsen gemotiveerde respons. Het verweer afdoen met de eis van “concrete en verifieerbare onderbouwing” volstaat niet; die maatstaf hoort bij de herkomstverklaring in het witwasbewijs, niet bij de betwisting van een rapportgevolgtrekking. Daarmee bevestigt de Hoge Raad — in lijn met HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1642 en zoals door A-G Aben dogmatisch uitgewerkt — dat aan zo’n betwisting lichtere eisen worden gesteld dan aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (art. 359 lid 2 Sv).
Voor de praktijk: het OM en de financieel rapporteur moeten elke post van een kasopstelling herleidbaar onderbouwen én het voordeel aan concrete feiten relateren; de verdediging kan met een op het dossier gestoelde betwisting van gemiddelden en marges een responsplicht activeren zonder zelf een alternatieve berekening te hoeven leveren.
Conclusie A-G
A-G Aben (ECLI:NL:PHR:2025:244) concludeerde tot vernietiging en terugwijzing. Over het eerste middel: de als “kasopstelling” gepresenteerde berekening is een kale optelsom van contante uitgaven waarin beginsaldo, eindsaldo, bankmutaties en legale contante ontvangsten volledig ontbreken; bovendien is in strijd met art. 511f Sv niet inzichtelijk aan welke redengevende feiten en omstandigheden de bedragen zijn ontleend en is het voordeel niet aan concrete feiten gerelateerd. Over het tweede middel: de eis van een “concrete en verifieerbare onderbouwing” komt neer op de zwaardere maatstaf van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (art. 359 lid 2 Sv), terwijl voor de voldoende gemotiveerde betwisting van een gevolgtrekking uit een financieel rapport (het kader van ECLI:NL:HR:2013:BV9087) lichtere eisen gelden; het verdedigingsbetoog over sterk wisselende en lagere winstmarges was als zo’n betwisting aan te merken. Het derde middel (verdeelsleutel een derde) faalt volgens de A-G.
De Hoge Raad volgt de conclusie volledig in uitkomst: middelen 1 en 2 slagen, middel 3 wordt met art. 81 RO afgedaan, vernietiging en terugwijzing. Het dogmatische onderscheid tussen betwisting en uitdrukkelijk onderbouwd standpunt benoemt de Hoge Raad niet expliciet, maar het lichtere regime wordt feitelijk toegepast.
Eerder op deze site
- Omzetten van witwasgeld levert niet automatisch voordeel op (ECLI:NL:HR:2024:1821) — Recente toepassing van de lijn dat een witwasbedrag niet zonder meer wederrechtelijk voordeel oplevert — relevant nu de betrokkene mede voor gewoontewitwassen is veroordeeld en het hof het voordeel onvoldoende aan concrete feiten relateerde.
- Witwasoordeel 'eigen misdrijf' bindt ontnemingsrechter niet bij voordeel (ECLI:NL:HR:2022:4) — Illustreert het scharnier tussen de witwas-hoofdzaak en de ontnemingsprocedure, waarin de eigen bewijsmaatstaf en motiveringsplichten van art. 36e Sr gelden.