Namaakhandel niet soortgelijk aan witwassen; onttrekking vernietigd (ECLI:NL:HR:2025:620)

ECLI:NL:HR:2025:620 — Hoge Raad, 2025-04-22 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte is door het hof Den Haag veroordeeld voor onder meer gewoontewitwassen (art. 420bis/420ter Sr): het samen met een ander overdragen en omzetten van contante en girale geldbedragen uit enig misdrijf, en het verhullen wie de rechthebbende is op een Bentley en een Fiat 500. Het hof beval daarnaast op grond van art. 36d Sr de onttrekking aan het verkeer van 64 bij het onderzoek aangetroffen namaakhorloges met toebehoren, oordelend dat het misdrijf van art. 337 Sr (handel in namaakproducten) ‘zozeer verwant’ is met het bewezenverklaarde witwassen dat van soortgelijkheid kan worden gesproken.

Het vijfde cassatiemiddel bestrijdt dat soortgelijkheidsoordeel. De Hoge Raad herhaalt de maatstaf uit HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322: soortgelijke feiten zijn feiten die, gelet op het door de strafbaarstelling beschermde belang, tot dezelfde categorie behoren. Het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting: art. 337 Sr strekt tot bescherming van fabrikanten, verkopers en kopers tegen namaakproducten; dat specifieke rechtsbelang stemt onvoldoende overeen met dat van art. 420bis en 420ter Sr, die bovendien in een andere titel van het Tweede Boek staan. Het zesde middel over de redelijke termijn slaagt eveneens. De overige klachten worden met art. 81 lid 1 RO afgedaan. De Hoge Raad vermindert de gevangenisstraf tot dertig maanden en wijst de zaak uitsluitend wat betreft de onttrekkingsbeslissing terug naar het hof.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest is geen klassiek bestanddelen-arrest — de bewezenverklaring van het gewoontewitwassen (met een fraaie illustratie van het onderscheid tussen onderdeel a, het verhullen wie rechthebbende is op de voertuigen, en onderdeel b, het overdragen en omzetten van geldbedragen) blijft onder art. 81 RO ongemoeid. De doctrinaire winst zit op het snijvlak van witwassen en het sanctierecht: hoe ver reikt het soortgelijkheidsvereiste van art. 36d Sr bij een witwasveroordeling?

De Hoge Raad kiest hier, in afwijking van A-G Paridaens, voor een strikte, specifieke rechtsbelang-vergelijking. De redenering dat namaakhandel en witwassen beide in ruime zin de integriteit van het economische verkeer raken — de brug die hof en advocaat-generaal sloegen — is onvoldoende. Art. 337 Sr beschermt fabrikanten, verkopers en kopers tegen namaakproducten; dat is een ander belang dan het door de witwastitel beschermde belang. De plaats in het wetboek (Titel XXV ‘Bedrog’ versus Titel XXXA ‘Witwassen’) fungeert daarbij als ondersteunend gezichtspunt. Daarmee bevestigt de Hoge Raad de vaste maatstaf uit ECLI:NL:HR:1997:ZC9322 en brengt hij op een smal maar praktisch relevant punt iets nieuws: de verhouding art. 337 Sr / art. 420bis-420ter Sr binnen art. 36d Sr was nog niet eerder door de cassatierechter beslist.

Voor de praktijk betekent dit dat bij een witwasveroordeling niet elk crimineel getint voorwerp dat ‘bij gelegenheid van het onderzoek’ wordt aangetroffen via art. 36d Sr kan worden onttrokken. Het soortgelijkheidsvereiste vergt een motivering per beschermd rechtsbelang; een generieke verwijzing naar verwevenheid met het criminele geld- of goederencircuit volstaat niet. Dat sluit aan bij een bredere les uit de witwasdoctrine: witwassen en aangrenzende sanctierechtelijke figuren kennen elk eigen maatstaven die niet inwisselbaar zijn — vergelijk de lijn dat een witwas-bewezenverklaring niet automatisch wederrechtelijk voordeel oplevert (HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217).

Het arrest markeert bovendien impliciet dat de witwasbepalingen een eigen, weliswaar breed maar afgebakend rechtsbelang beschermen. Wie art. 420bis Sr als vergaarbak voor alle economisch-criminele randverschijnselen wil inzetten — hier via de omweg van de onttrekking — wordt teruggefloten. De kwalificatie-uitsluitingsgrond, het witwasvermoeden en de datumgrens van 1 januari 2017 spelen in deze zaak geen rol; het belang ligt uitsluitend in de sanctierechtelijke afbakening. Ten slotte is leeskundig relevant dat de Hoge Raad hier uitdrukkelijk afwijkt van de conclusie: dat onderstreept dat het oordeel over de reikwijdte van het door de witwastitel beschermde belang principieel bedoeld is.

Conclusie A-G

A-G Paridaens concludeerde tot vernietiging uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf (wegens overschrijding van de inzendtermijn) en tot verwerping voor het overige. Over het vijfde middel achtte de advocaat-generaal het soortgelijkheidsoordeel van het hof niet onbegrijpelijk: art. 337 Sr beschermt volgens de conclusie ook het vertrouwen in de echtheid van merkproducten en daarmee — net als de witwasbepalingen — de integriteit van het economische verkeer.

De Hoge Raad volgt de advocaat-generaal wat betreft de redelijke termijn, maar wijkt op het onttrekkingspunt uitdrukkelijk af: het soortgelijkheidsoordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het specifieke door art. 337 Sr beschermde rechtsbelang onvoldoende overeenstemt met dat van art. 420bis en 420ter Sr.