ECLI:NL:HR:2021:1702 — Hoge Raad, 2021-11-23 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
De verdachte is door het hof Den Haag veroordeeld voor onder meer het medeplegen van gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis Sr): het via zijn zus verwerven en voorhanden hebben van drie Leidse panden en het verhullen wie de rechthebbende was, in de periode maart 2006 tot en met mei 2007. De financiering van het eerste pand liep via een girale “lening” van een derde die door de verdachte contant werd terugbetaald (inclusief € 50.000 borg), zonder hypotheekrecht; via een paraplu-hypotheek van Fortis werkte dit witwassen volgens het hof door in de aankoop van de twee latere panden (vermenging van witgewassen en legaal vermogen).
In cassatie slaagt het eerste middel: de vervolging voor twee Wet wapens en munitie-feiten is absoluut verjaard; de Hoge Raad verklaart het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk en vermindert de straf. Het derde middel, gericht tegen het oordeel dat sprake is van een “gewoonte”, faalt. De Hoge Raad stelt voorop dat de kwalificatie “gewoonte” afhangt van de concrete omstandigheden — aard van de gedragingen, omstandigheden, aantal en tijdsbestek — en dat geen “neiging” tot herhaling of minimumfrequentie is vereist; wel moet de gewoonte uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid. Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De overige klachten worden met art. 81 RO afgedaan; ambtshalve volgt strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn (elf maanden en een week).
Betekenis voor de praktijk
De kern van dit arrest zit in de vooropstelling onder 3.4: de Hoge Raad formuleert — compact en algemeen — de maatstaf voor het bestanddeel “gewoonte” in art. 420ter Sr. Of een meervoud aan gedragingen een gewoonte oplevert, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan (i) de aard van de gedragingen, (ii) de omstandigheden waaronder zij zijn verricht, (iii) het aantal gedragingen en (iv) het tijdsbestek. Niet vereist is dat wordt vastgesteld dat de verdachte de “neiging” had om het misdrijf telkens te begaan (vgl. ECLI:NL:HR:2021:734), noch een bepaalde minimumfrequentie. Wel moet de gewoonte worden tenlastegelegd en bewezenverklaard — waarbij aan de term voldoende feitelijke betekenis toekomt (ECLI:NL:HR:2015:1770) — én uit de bewijsvoering afleidbaar zijn. Dit is geen koerswijziging maar een verhelderende precisering binnen de 420ter-lijn, die aansluit bij het overzichtsarrest ECLI:NL:HR:2016:2842 en de kwalificatierechtspraak van ECLI:NL:HR:2021:321. Interessant is het contrast met ECLI:NL:HR:2020:1906, waarin “meermalen” handelen juist níet volstond: het gaat niet om tellen, maar om een gewogen totaalbeeld.
Toegepast betekent dit dat drie vastgoedtransacties in ruim veertien maanden een gewoonte kunnen opleveren, mede omdat de handelingen onderling samenhingen: het witwassen van het eerste pand (contante terugbetaling van een girale lening plus borg aan een geldschieter, zonder hypotheekrecht) “werkte door” in de latere aankopen via de paraplu-hypotheek. Dat doorwerkings- en vermengingsmechanisme is ook zelfstandig relevant voor de bewijslijn van het witwasvermoeden (ECLI:NL:HR:2010:BM0787; herformuleerd in ECLI:NL:HR:2018:2352): het hof paste het stappenschema toe en oordeelde dat een op zichzelf concrete, verifieerbare en niet op voorhand volslagen onwaarschijnlijke verklaring (financiering uit de bankhypotheek) het vermoeden tóch niet ontkracht, omdat zij niets afdoet aan de vastgestelde vermenging van witgewassen en legaal vermogen. Voor de praktijk is dit een belangrijke nuance: het doorlopen van stap ii en iii betekent niet automatisch vrijspraak; de verklaring moet het vermoeden inhoudelijk kunnen ondergraven.
Cassatietechnisch bevat het arrest een gecombineerde rechts- en motiveringsklacht op de gewoonte, beide verworpen met de dubbele formule “geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk”. Omdat de pleegperiode 2006-2007 betreft, geldt het pre-2017-regime; de kwalificatie-uitsluitingsgrond speelt hier niet: het gaat om verhullen wie de rechthebbende is (onderdeel a) naast verwerven en voorhanden hebben van middellijk uit enig misdrijf afkomstige voorwerpen. Voor compliance- en vastgoedpraktijk illustreert de zaak klassieke rode vlaggen: stroman-constructies, contante terugbetaling van girale leningen, ontbrekende zekerheden en paraplu-financiering.
Conclusie A-G
A-G Hofstee (ECLI:NL:PHR:2021:843) concludeerde dat het verjaringsmiddel over de wapenfeiten slaagt en dat de Hoge Raad het openbaar ministerie zelf niet-ontvankelijk kan verklaren met strafvermindering; de Hoge Raad volgt dit volledig. Het samenloopmiddel achtte de advocaat-generaal inhoudelijk gegrond maar zonder voldoende belang (81 RO), en het witwasmiddel — waaronder de gewoonte-klacht, met een uitvoerig factorenkader (aard, aantal, onderling verband, tijdsbestek; geen minimumfrequentie) — falend in alle onderdelen. De Hoge Raad volgt de A-G in de uitkomst, maar gaat een stap verder door in rov. 3.4 zelf een algemene vooropstelling over het bestanddeel “gewoonte” te formuleren.
Eerder op deze site
- Eenvoudig witwassen is geen specialis van gewoon witwassen (ECLI:NL:HR:2021:321) — Eerder arrest in dezelfde art. 420ter-lijn over de kwalificatieverhouding tussen eenvoudig, gewoon en gewoontewitwassen, waarop de gewoonte-maatstaf van dit arrest voortbouwt.
- Herkomst voorwerp, niet schuld erflater, bepaalt witwasbewijs (ECLI:NL:HR:2026:955) — Recentere gewoontewitwaszaak op de bewijslijn "uit enig misdrijf afkomstig", waar het onderhavige arrest de vermoeden-en-verklaringstoets bij vermenging illustreert.