Geld in kluis in onderhands gehuurde woning verhult rechthebbende (ECLI:NL:HR:2019:474)

ECLI:NL:HR:2019:474 — Hoge Raad, 2019-04-02 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte is door het hof Den Haag veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis Sr). Hij en zijn mededader ontvingen in ruim twee maanden herhaaldelijk contante geldbedragen — in totaal ruim € 4,5 miljoen — van een andere groep medeplegers, vervoerden die naar een woning in zijn woonplaats en bewaarden het geld daar in een manshoge kluis. De woning werd onderhands gehuurd door de verdachte, terwijl volgens de gemeentelijke basisadministratie anderen op het adres stonden ingeschreven. Na de inbeslagname meldde zich niemand als rechthebbende.

Het derde middel klaagt over de bewezenverklaring van het “verbergen en/of verhullen wie de rechthebbende was” (art. 420bis lid 1 onder a Sr). De Hoge Raad stelt onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236 voorop dat verbergen en verhullen zien op gedragingen die erop gericht zijn het zicht op de rechthebbende te bemoeilijken én daartoe geschikt zijn. Het oordeel van het hof dat de beschreven wijze van bewaren de rechthebbende verborg of verhulde, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. De eerste twee middelen worden met art. 81 RO afgedaan. Ambtshalve vermindert de Hoge Raad de gevangenisstraf van 21 naar 20 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie; voor het overige wordt het beroep verworpen.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest hoort thuis in de lijn over onderdeel a van art. 420bis Sr (verbergen/verhullen) en is de eerste expliciete toepassing van de maatstaf uit HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236 op de deelvariant verbergen of verhullen wie de rechthebbende is. A-G Keulen signaleerde in de conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:132) dat de Hoge Raad zich over die variant nog niet had uitgelaten; het arrest vult dat gat. De maatstaf is een geobjectiveerde doelgerichtheid: de gedragingen moeten erop gericht zijn het zicht op de rechthebbende te bemoeilijken én daartoe geschikt zijn. Volstrekte onzichtbaarheid is niet vereist; een “mistgordijn” volstaat, zo volgt uit de door de Hoge Raad geciteerde wetsgeschiedenis.

Nieuw is de bevestiging dat een samenstel van puur feitelijke bewaargedragingen dit verhullen kan opleveren, zonder juridische constructies zoals stromannen of rekeningen op andermans naam: contant geld van derden ontvangen, vervoeren en opslaan in een kluis in een onderhands gehuurde woning waar volgens de gemeentelijke basisadministratie een ander gezin staat ingeschreven, terwijl niemand zich na inbeslagname als rechthebbende meldt. De grens met HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2293 (enkel omwisselen in kleinere coupures en wegstoppen is niet zonder meer verhullen van de herkomst) blijft intact: beslissend is dat het samenstel de koppeling tussen geld en rechthebbende doorknipt, niet het enkele verstoppen. Vergelijk ook HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:214 over het verhullen van de vindplaats.

Doctrinair van belang is verder wat hier niet speelt: de kwalificatie-uitsluitingsgrond. Het geld was afkomstig uit andermans misdrijf en de KUG-rechtspraak (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150) ziet bovendien niet op onderdeel a (HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716; vgl. voor onderdeel a ook HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:956). Ook de datumgrens van 1 januari 2017 is niet relevant.

Als tweede laag is de bewijsvoering van het hof een schoolvoorbeeld van het witwasvermoeden uit HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787: typologieën (grote contante bedragen zonder bedrijfsmatige noodzaak, 4.241 biljetten van € 500, geldtelmachines, versluierd taalgebruik, ontbrekende administratie) rechtvaardigen het vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Dat deel blijft in cassatie onaangetast en bevestigt de bestaande lijn.

Voor de praktijk betekent dit arrest dat het OM de rechthebbende-variant van onderdeel a met vertrouwen kan tenlasteleggen bij geldbewaarders in witwasketens, mits de bewijsvoering het samenstel van verhullingsgeschikte gedragingen concreet in beeld brengt. Voor de verdediging blijft het aangrijpingspunt de geschiktheidseis: enkel bewaren of verstoppen is onvoldoende.

Conclusie A-G

A-G Keulen concludeerde tot verwerping van alle drie de middelen, met ambtshalve strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. Over het derde middel construeerde de advocaat-generaal uit de wetsgeschiedenis de maatstaf dat verbergen en verhullen een geobjectiveerde doelgerichtheid vergen: de gedraging moet erop gericht én geschikt zijn het zicht op de rechthebbende te bemoeilijken, waarbij een “mistgordijn” volstaat. Toegepast: door de gelden als schakel in een witwasketen te vervoeren en onder te brengen in een kluis in een onderhands gehuurde woning met afwijkende GBA-inschrijving is de rechthebbende aan het zicht onttrokken. Subsidiair wees de advocaat-generaal op het ontbreken van belang, nu ook verwerven en voorhanden hebben zijn bewezen. De Hoge Raad volgt de conclusie in uitkomst en benadering, maar via de hoofdroute: hij formuleert de gericht-op-én-geschikt-maatstaf onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2017:236 en oordeelt dat het hofsoordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd; het belang-argument blijft onbesproken.

Eerder op deze site