Geldvordering geeft geen aanspraak op verbeurdverklaard banksaldo (ECLI:NL:HR:2025:653)

ECLI:NL:HR:2025:653 — Hoge Raad, 2025-04-22 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij onherroepelijk vonnis is een betrokkene veroordeeld wegens witwassen van ruim € 4,1 miljoen, voorhanden op een bankrekening bij de UniCredit-bank; het saldo (het vorderingsrecht op de bank) is verbeurdverklaard. De klaagster had € 4.000.000 doen overmaken naar die rekening in de veronderstelling dat het geld bij haar leningnemer terecht zou komen, maar bleek slachtoffer van een nepbank-constructie. Als benadeelde partij was zij in de strafzaak niet-ontvankelijk verklaard. Via een klaagschrift ex artikel 552b Sv verzocht zij om teruggave van € 4.000.000, stellend dat zij naar Tsjechisch recht een vordering uit ‘unjust enrichment’ op de veroordeelde had. De rechtbank Den Haag verklaarde het beklag gegrond en gelastte teruggave.

Het openbaar ministerie stelde cassatie in met twee rechtsklachten over de uitleg van ‘belanghebbende’ en ’toekomen’ in artikel 552b lid 1 Sv. De Hoge Raad formuleert een algemeen kader: ’toekomen’ vereist eigendom, dan wel een aanspraak op afgifte op grond van wet, beperkt recht of overeenkomst. Een civielrechtelijke geldvordering — uit overeenkomst, onrechtmatige daad, onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking — maakt het corresponderende bedrag in het vermogen van de schuldenaar niet tot een ‘voorwerp’ dat de klager toekomt; zo’n schuldeiser is geen belanghebbende. Beide middelen slagen: vernietiging en terugwijzing naar de rechtbank Den Haag.

Betekenis voor de praktijk

Deze beschikking gaat niet over de bestanddelen van witwassen, maar over de vermogensrechtelijke nasleep van een witwasveroordeling: wie kan met succes klagen over de verbeurdverklaring van een witgewassen banksaldo? De Hoge Raad bevestigt en verscherpt de bestaande lijn over ’toekomen’ in artikel 552b lid 1 Sv. Al sinds HR 6 december 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZD1079) en HR 12 maart 1996 (ECLI:NL:HR:1996:ZD0408) geldt dat naast eigendom ook een aanspraak op afgifte krachtens wet, beperkt recht of overeenkomst volstaat. Uit HR 19 augustus 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF9701) volgde al dat een uitlener van geld slechts een vordering tot terugbetaling heeft en dus geen aanspraak op afgifte van het verbeurdverklaarde geldbedrag; HR 25 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1018) trok die lijn door naar onverschuldigde betaling.

Nieuw is vooral de generieke formulering in rechtsoverweging 2.4.3: een geldvordering van zekere omvang — ongeacht de verbintenisrechtelijke bron, dus ook uit onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking (‘unjust enrichment’) — geeft nooit aanspraak op afgifte van een specifiek (deel van een) verbeurdverklaard geldbedrag, en zo’n schuldeiser is reeds daarom geen ‘belanghebbende’. Daarmee sluit de Hoge Raad de creatieve route af waarbij een gedupeerde van een oplichtings- of witwasconstructie via de beklagrechter feitelijk restitutie probeert te krijgen uit het verbeurdverklaarde girale tegoed. De boodschap voor de praktijk: die gedupeerde moet zijn geldvordering bij de burgerlijke rechter geldend maken; de strafvorderlijke beklagprocedure is geen forum voor het beslechten van civielrechtelijke aanspraken op (vermengde) girale tegoeden.

Voor de witwaspraktijk is de zaak ook illustratief op de achtergrond. Het onderliggende witwasvonnis is een schoolvoorbeeld van de bewijslijn uit het ankerarrest HR 13 juli 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM0787): geen aanwijsbaar gronddelict, maar een witwasvermoeden waartegen de verdachte een concrete, verifieerbare verklaring moest stellen. Bovendien bevestigt de casus dat een giraal banksaldo — juridisch: het vorderingsrecht op de bank — ‘voorwerp’ van witwassen én van verbeurdverklaring kan zijn, ook bij vermenging van criminele en overige bijschrijvingen. De kwalificatie-uitsluitingsgrond en de datumgrens van 1 januari 2017 spelen geen rol: het ging om voorhanden hebben van uit andermans misdrijf afkomstig geld.

De beschikking is de parallelbeslissing binnen hetzelfde feitencomplex als de op dezelfde dag gewezen zusterzaak ECLI:NL:HR:2025:651, waarin de Hoge Raad hetzelfde kader hanteerde. Samen markeren beide beschikkingen een heldere, voor beklagrechters direct toepasbare grens: verbintenisrechtelijke schuldeisers van de veroordeelde vallen buiten artikel 552b Sv, hoe sterk hun materiële aanspraak ook is.

Conclusie A-G

A-G Harteveld concludeerde tot vernietiging van de beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Den Haag. De A-G zette de jurisprudentielijn over ‘belanghebbende’ en ’toekomen’ uiteen (onder meer ECLI:NL:HR:1994:ZD1079, ECLI:NL:HR:1996:ZD0408, ECLI:NL:HR:2003:AF9701 en ECLI:NL:HR:2019:1018) en concludeerde dat een louter verbintenisrechtelijke geldvordering — hier uit ‘unjust enrichment’ naar Tsjechisch recht — geen recht geeft op afgifte van het specifiek verbeurdverklaarde banksaldo, zodat het oordeel van de rechtbank getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad volgt de A-G volledig, zowel in de redenering als in de uitkomst (vernietiging en terugwijzing).

Eerder op deze site