Beklagrechter moet bij beslag onder niet-verdachte vennootschap derden-maatstaf toepassen (ECLI:NL:HR:2026:337)

ECLI:NL:HR:2026:337 — Hoge Raad, 2026-03-10 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

In een omvangrijk onderzoek naar het illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie is met het oog op ontneming conservatoir beslag (art. 94a Sv) gelegd, mede onder niet-verdachte rechtspersonen in de sfeer van een van de verdachten. De klaagster, een houdstervennootschap waarvan de medeverdachte UBO en 100%-aandeelhouder is, diende een klaagschrift (art. 552a Sv) in dat strekte tot opheffing van de beslagen voor zover de waarde daarvan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beklag ongegrond en hanteerde daarbij de voor verdachten geldende maatstaf: is het hoogst onwaarschijnlijk dat de later oordelende strafrechter een geldboete, ontnemings- of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen?

Het eerste cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast. De Hoge Raad stelt, onder verwijzing naar HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2144, voorop dat bij beslag op grond van art. 94a Sv de rechter, wanneer een derde om teruggave verzoekt, moet beoordelen of buiten redelijke twijfel staat dat die derde eigenaar is; zo ja, dan moet hij onderzoeken of zich de situatie van art. 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt niet dat deze maatstaf is aangelegd, zodat de beschikking ontoereikend is gemotiveerd. Het middel is gegrond; de overige vijf middelen blijven onbesproken. De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst terug naar de rechtbank Oost-Brabant.

Betekenis voor de praktijk

Deze beschikking legt geen bestanddeel van art. 420bis e.v. Sr uit, maar raakt de procedurele flank die in vrijwel elk groot witwas- en ontnemingsonderzoek speelt: conservatoir beslag onder vennootschappen die (nog) geen verdachte zijn maar wel in de invloedssfeer van de verdachte staan. De witwasverdenking fungeert hier als vijfde-categorie-grondslag voor het beslag; de kernvraag is welke maatstaf de beklagrechter moet aanleggen als zo’n vennootschap teruggave verzoekt.

De Hoge Raad bevestigt de vaste lijn uit HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2144: voor de derde die stelt eigenaar te zijn van een op de voet van art. 94a Sv inbeslaggenomen voorwerp geldt een tweetrapstoets — (i) staat buiten redelijke twijfel dat de klager eigenaar is, en (ii) doet zich de anderbeslag-situatie van art. 94a lid 4 of 5 Sv voor? De voor verdachten geldende toets (“niet hoogst onwaarschijnlijk dat de later oordelende strafrechter een ontnemingsmaatregel oplegt”) mag niet worden “geleend” voor een derde, ook niet met het argument dat de vennootschap wellicht nog verdachte wordt. Het arrest brengt dus niets nieuws, maar markeert een fout die in de praktijk gemakkelijk wordt gemaakt, juist bij UBO-constructies met getrapte concernstructuren en buitenlandse vermogensbestanddelen: de rechtbank kwam via de “sleutelrol” van de UBO en de “grote onderlinge samenhang” feitelijk tot vereenzelviging van de vennootschappen met de verdachte. Uit de conclusie van A-G Van Wees blijkt dat die vereenzelvigingsroute geen zelfstandige beslaggrondslag is; concernverhoudingen kunnen hooguit meewegen binnen de toets van art. 94a lid 4 Sv (toebehoren met het kennelijke doel uitwinning te bemoeilijken, vgl. ECLI:NL:HR:2022:1201).

Voor de witwaspraktijk sluit de beschikking aan bij een terugkerend thema: het strikt scheiden van beoordelingskaders. Zoals in de hoofdzaak-versus-ontneming-lijn de bewijsmaatstaven niet mogen worden verward (vgl. de waarschuwing rond ECLI:NL:HR:2013:BY5217 dat een witwas-bewezenverklaring niet automatisch voordeel oplevert), zo bestaan ook binnen de beslag- en beklagsfeer verschillende maatstaven al naargelang de positie van de klager (zie het overzichtsarrest ECLI:NL:HR:2010:BL2823). Het miskennen daarvan is cassabel — hier geformuleerd als motiveringsgebrek (“uit de overwegingen blijkt niet dat deze maatstaf is aangelegd”), waar de A-G scherper op een onjuiste rechtsopvatting koerste. Voor de verdedigings- en compliancepraktijk is de boodschap concreet: vennootschappen onder wie beslag ligt, hoeven niet af te wachten of zij ooit verdachte worden; hun eigendomspositie geeft recht op een eigen, doorgaans gunstiger toetsingskader, en de beklagrechter moet daarvan expliciet blijk geven.

Conclusie A-G

A-G Van Wees concludeerde tot vernietiging en terugwijzing. Kern van de conclusie: de klaagster is geen verdachte, zodat de beklagrechter niet de verdachten-maatstaf (“niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter een ontnemingsmaatregel oplegt”) mocht hanteren, maar de derden-maatstaf: eerst beoordelen of buiten redelijke twijfel staat dat de klaagster eigenaar is, en zo ja, of zich de anderbeslag-situatie van art. 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. Dat de vennootschap wellicht nog verdachte wordt, rechtvaardigt de gehanteerde maatstaf niet. De A-G benadrukt bovendien dat vereenzelviging van verdachte en rechtspersoon geen zelfstandige beslaggrondslag is; UBO- en concernverhoudingen kunnen hooguit meewegen binnen de toets van art. 94a lid 4 Sv. De Hoge Raad volgt de conclusie, zij het bondiger en geformuleerd als motiveringsgebrek onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2018:2144; de vereenzelvigingsbeschouwing neemt de Hoge Raad niet expliciet over.