ECLI:NL:HR:2025:651 — Hoge Raad, 2025-04-22 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
Bij onherroepelijk vonnis is een betrokkene veroordeeld wegens witwassen van ruim € 4,1 miljoen, voorhanden op een buitenlandse bankrekening van een door hem gecontroleerde vennootschap; het volledige saldo is verbeurdverklaard omdat niet kon worden vastgesteld aan wie het toebehoort. De klaagster, die via een corporate service provider € 100.000 op die rekening had laten overmaken ter ‘activering’ van een bankrekening bij de door de veroordeelde gedreven nepbank en daarna geen toegang meer tot het geld kreeg, diende een klaagschrift ex artikel 552b Sv in. De rechtbank achtte haar belanghebbende, verklaarde het beklag gegrond en gelastte teruggave van € 100.000.
Het openbaar ministerie klaagt in cassatie dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de begrippen ‘belanghebbende’ en ’toekomen’. De Hoge Raad honoreert beide rechtsklachten. Van ’toekomen’ is sprake bij eigendom, of bij een aanspraak op afgifte krachtens wet, beperkt recht of overeenkomst (HR 6 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZD1079; HR 12 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0408). Een civielrechtelijke geldvordering — uit overeenkomst, onrechtmatige daad, onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking — geeft géén aanspraak op afgifte van (een deel van) een verbeurdverklaarde geldsom; zo’n klager is geen belanghebbende (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AF9701). Het oordeel van de rechtbank getuigt op beide punten van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst terug naar de rechtbank Den Haag.
Betekenis voor de praktijk
Deze beschikking is geen materieel witwasarrest, maar regelt de vermogensrechtelijke nasleep van een witwasveroordeling: wat resteert er voor een gedupeerde derde na integrale verbeurdverklaring van een witgewassen banksaldo? Het onderliggende strafvonnis was een schoolvoorbeeld van de bewijslijn van het witwasvermoeden (HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; herformuleerd in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352): geen aanwijsbaar gronddelict, wisselende en deels aantoonbaar valse herkomstverklaringen, en de conclusie dat het ‘niet anders kan zijn dan’ dat het saldo uit misdrijf afkomstig is. Door bij- en afschrijvingen was op de rekening bovendien vermenging opgetreden, zodat het héle saldo als witwasvoorwerp gold en verbeurd kon worden verklaard ‘omdat niet kan worden vastgesteld aan wie het toebehoort’.
Juist die girale vermenging keert zich in de beklagfase tegen de inleggers. Hun geld is opgegaan in één vorderingsrecht op de bank — het verbeurdverklaarde ‘voorwerp’ — en hun aanspraak is gereduceerd tot een verbintenisrechtelijke geldvordering op de veroordeelde. De Hoge Raad bevestigt en consolideert de bestaande lijn (ECLI:NL:HR:1994:ZD1079; ECLI:NL:HR:1996:ZD0408; ECLI:NL:HR:2003:AF9701; ECLI:NL:HR:2019:1018) en formuleert die in rechtsoverweging 2.4.3 nu expliciet en generiek: vorderingen uit overeenkomst, onrechtmatige daad, onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking maken de klager geen ‘belanghebbende’ en geven geen recht op afgifte van (een deel van) een verbeurdverklaarde geldsom. Nieuw is vooral deze heldere, geconsolideerde formulering en de toepassing op het slachtoffer van een nepbank-fraude; een koerswijziging is het niet.
Voor de praktijk betekent dit ten eerste dat het openbaar ministerie en de beslagpraktijk gesterkt worden in de verbeurdverklaring van vermengde witwastegoeden: de raadkamer mag de ’toekomen’-toets niet oprekken tot een billijkheidsoordeel over wie het geld ‘eigenlijk’ toebehoort. Ten tweede loopt voor gedupeerden van fraude- en witwasconstructies de strafvorderlijke beklagweg doorgaans dood zodra hun geld giraal is vermengd bij de dader; zij zijn aangewezen op de civiele weg of op voeging als benadeelde partij in de hoofdzaak. A-G Harteveld signaleerde daarbij scherp waartoe de ruime benadering van de rechtbank leidde: in de samenhangende zaken was in totaal méér teruggegeven dan de verbeurdverklaarde vordering waard was.
De kernwitwasleer — de kwalificatie-uitsluitingsgrond en de datumgrens van 1 januari 2017 — speelt hier geen rol: bewezen was ‘gewoon’ opzetwitwassen door voorhanden hebben met wetenschap van de criminele herkomst, zonder eigen-misdrijfproblematiek in cassatie. De beschikking markeert wel treffend hoe de bewijsconstructie in de hoofdzaak (vermenging als grondslag voor verbeurdverklaring van het volledige saldo) doorwerkt in de rechtspositie van derden ná het onherroepelijke vonnis.
Conclusie A-G
A-G Harteveld concludeerde tot vernietiging en terugwijzing. Onder ’toekomen’ in artikel 552b lid 1 Sv valt naast eigendom ook een aanspraak op afgifte uit hoofde van een goederenrechtelijk of obligatoir recht, maar wie slechts een vordering tot (terug)betaling van een geldbedrag van dezelfde omvang heeft — uit lening, onrechtmatige daad of onverschuldigde betaling — kan geen aanspraak maken op afgifte van hét verbeurdverklaarde geldbedrag en is dus geen belanghebbende. De A-G wees een ‘slachtoffervriendelijke’ ruime uitleg van het begrip belanghebbende expliciet af en signaleerde dat in deze en de samenhangende zaken in totaal méér was teruggegeven dan de verbeurdverklaarde vordering waard was. De Hoge Raad volgt de conclusie volledig, zowel in uitkomst als in redenering.