Voorhanden hebben vergt bewustheid van waarschijnlijke aanwezigheid (ECLI:NL:HR:2020:570)

ECLI:NL:HR:2020:570 — Hoge Raad, 2020-04-21 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte werd op 1 juli 2017 in Wassenaar staande gehouden als bestuurder van een Peugeot 3008 met Duits kenteken, die hij naar eigen zeggen via een agentschap in Rome had gekocht maar die op naam van een ander stond. In een verborgen ruimte onder de bodem trof de Douane 63 geldpakketten (in totaal € 923.190), een Rolex van circa € 23.100 en een gouden ketting aan. Het hof Amsterdam veroordeelde wegens witwassen (art. 420bis lid 1 onder b Sr): het achtte het scenario dat de verdachte niets van de verborgen ruimte wist, niet aannemelijk.

Het cassatiemiddel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde voorhanden hebben. De Hoge Raad stelt voorop (rov. 2.4) dat daarvoor vereist is dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig had: bewustheid van de (waarschijnlijke) aanwezigheid, zonder dat die zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen, de omvang van het geldbedrag of de exacte locatie; die bewustheid kan bewezen worden als het “niet anders kan” dan dat de verdachte haar had. Gelet op zes vaststellingen — waaronder de aankoop op andermans naam, het terstond laten betalen van openstaande boetes en de link met een Amsterdamse woning waar een kopie van zijn identiteitsbewijs lag en waar medebrenger [betrokkene 3] eerder was aangehouden — mocht het hof een redelijke verklaring vergen en het alternatieve scenario ongeloofwaardig achten. Het middel faalt; de overige klachten stranden op art. 81 RO. Verwerping, contrair aan de conclusie van A-G Spronken.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest gaat niet over de kwalificatie-uitsluitingsgrond of de datumgrens van 1 januari 2017 (het betrof voorwerpen uit andermans misdrijf), maar vult een tot dan toe onderbelicht bestanddeel in: wat “voorhanden hebben” in art. 420bis Sr subjectief vergt. In rov. 2.4 formuleert de Hoge Raad een algemene, citeerbare maatstaf: opzettelijk aanwezig hebben, dat wil zeggen bewustheid van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, waarbij die bewustheid zich niet hoeft uit te strekken tot precieze eigenschappen (zoals de omvang van een geldbedrag) of de exacte locatie, en waarbij een “niet anders kan”-bewijsconstructie is toegestaan. Materieel is dit een transplantatie van het bewustheidskader uit de wapen- en helingsrechtspraak naar het witwasrecht — het nieuwe element van dit arrest.

Tweede pijler is de doortrekking van het bekende verklaringsmechanisme uit de bewijslijn van HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787 (herformuleerd in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352): waar dat mechanisme normaal het bestanddeel “uit enig misdrijf afkomstig” bedient, past de Hoge Raad het hier toe op de bewustheid van de aanwezigheid zelf. Bij voldoende omringende verdachte omstandigheden mag van de verdachte een redelijke verklaring worden gevergd voor het aantreffen van geld en voorwerpen in zijn auto, en mag een ongeloofwaardig alternatief scenario worden gepasseerd — zonder dat dit een bewijslastomkering oplevert.

Het arrest markeert tegelijk een grensgeval in de motiveringstoets. A-G Spronken achtte het bewustheidsoordeel niet zonder meer begrijpelijk: de ervaringsregel dat een eigenaar/bestuurder “geacht wordt te weten” wat zich in zijn auto bevindt, is te ruim bij een verborgen ruimte aan de buitenkant van de bodem, waartoe derden toegang kunnen hebben — vergelijk het helingsarrest HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3631, waarin een vergelijkbaar oordeel sneuvelde. De Hoge Raad herformuleert de bewijsvoering van het hof welwillend: niet de eigenaar/bestuurder-redenering draagt het oordeel, maar het samenstel van omstandigheden plus de falende verklaring. De boodschap voor de feitenrechter: bij voldoende omringende redengevende omstandigheden hoeft de bewustheidsredenering niet verder dichtgetimmerd te worden.

Voor de praktijk betekent dit: het OM kan de bewustheid van een koerier of bestuurder construeren via omringende omstandigheden (aankoopconstructie op andermans naam, gedragingen bij controle, verbanden met andere betrokkenen) gecombineerd met het ontbreken van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. De verdediging moet omgekeerd een alternatief scenario zó concreet en verifieerbaar aandragen dat het niet als ongeloofwaardig kan worden gepasseerd. Zie voor het klassieke gebruik van het verklaringsmechanisme bij het herkomstbestanddeel HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668; op dezelfde uitspraakdatum oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2020:571 over de grens van dat herkomstbestanddeel zelf.

Conclusie A-G

A-G Spronken concludeerde tot vernietiging en terugwijzing. De advocaat-generaal ontwikkelde een bewustheidskader voor het voorhanden hebben aan de hand van de wapenrechtspraak, achtte twee redengevende omstandigheden strijdig met de bewijsmiddelen en vond de ervaringsregel van het hof — dat een eigenaar/bestuurder “geacht wordt te weten” wat zich in zijn auto bevindt — te ruim, zeker bij een verborgen ruimte onder de bodem waartoe derden toegang kunnen hebben. Subsidiair achtte de advocaat-generaal het herkomstoordeel wél toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad wijkt af van de conclusie: hij formuleert zelf de bewustheidsmaatstaf (rov. 2.4), leest de bewijsvoering van het hof welwillend via het verklaringsmechanisme en verwerpt het beroep.

Eerder op deze site