Buit verdelen onder mededaders is geen omzetten of verhullen: OVAR (ECLI:NL:HR:2020:39)

ECLI:NL:HR:2020:39 — Hoge Raad, 2020-01-14 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

Jeugdzaak. De verdachte is door het hof veroordeeld tot 21 maanden jeugddetentie voor onder meer deelname aan een criminele organisatie en een reeks woninginbraken. Feit 21 betrof het medeplegen van witwassen van een geldbedrag (circa € 2.045), buit van een door de verdachte en zijn mededaders zelf gepleegde woninginbraak, dat in de auto in porties onder de daders is verdeeld.

Het middel klaagt over de bewezenverklaarde pleegperiode, over het bestanddeel “omgezet” en over de kwalificatie als witwassen. De Hoge Raad oordeelt, onder verwijzing naar de conclusie van A-G Bleichrodt: de klacht over de pleegperiode faalt, maar de bewezenverklaring van “omgezet” is ontoereikend gemotiveerd — het enkele verdelen van de buit levert geen omzetten op. Dat leidt op zichzelf niet tot cassatie, omdat verwerven en voorhanden hebben overblijven. Juist dat restant kan echter niet als witwassen worden gekwalificeerd: het geld is onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf en van een gedraging die gericht is op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst blijkt niet.

De Hoge Raad doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af: partiële vernietiging uitsluitend wat betreft de strafbaarheid van feit 21, ontslag van alle rechtsvervolging voor dat feit, terwijl de strafoplegging in stand blijft omdat aard en ernst van het overige bewezenverklaarde niet worden aangetast. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest is een toepassing en verfijning binnen de lijn van de kwalificatie-uitsluitingsgrond (kernarresten HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150). Het vestigt geen nieuwe regel, maar markeert op twee punten een instructief grensgeval.

Ten eerste het bestanddeel “omzetten”. Omzetten vergt naar de wetsgeschiedenis handelingen (vervanging, ruil, investering) waardoor een ander voorwerp wordt verkregen dat het misdrijfvoordeel belichaamt. Het verdelen van de buit onder de mededaders voldoet daar niet aan: het geld blijft hetzelfde en blijft integraal binnen de dadergroep. Daarmee valt de gedraging terug op verwerven en voorhanden hebben — precies het domein waarop de kwalificatie-uitsluitingsgrond ziet. Dit sluit aan bij de begrenzing dat overdragen, omzetten en gebruik maken buiten de verhullingseis vallen, tenzij de situatie niet wezenlijk verschilt van enkel verwerven of voorhanden hebben.

Ten tweede de verhullingsgerichte gedraging. Buitverdeling binnen de dadergroep heeft geen op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst gericht karakter. A-G Bleichrodt wees erop dat de verhullende werking zelfs geringer is dan bij storting op een bankrekening — die per HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169, óók al niet volstond. Dat het geld nooit is teruggevonden, doet daaraan niet af. Voor de doelgerichtheid van “verhullen” verwees de A-G naar HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910. De verzwaarde motiveringseis uit ECLI:NL:HR:2013:150 speelde hier vol, omdat de eigen herkomst vaststond: de inbraak zelf was bewezen.

Datumgrens 1 januari 2017. De pleegperiode (december 2012 – mei 2013) ligt vóór de invoering van eenvoudig witwassen, zodat de uitkomst ontslag van alle rechtsvervolging is: bewezen maar niet kwalificeerbaar. Bij een pleegdatum ná 1 januari 2017 zou hetzelfde feitencomplex vermoedelijk eenvoudig witwassen (art. 420bis.1 Sr) hebben opgeleverd, conform het overzichtsarrest HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842. Voor zaken over oude feiten blijft deze rechtspraak dus rechtstreeks relevant.

Procesrechtelijk is het arrest illustratief voor de cassatietechniek: de Hoge Raad knipt het middel op, doet de deelklachten af onder verwijzing naar de conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:1164), en kiest voor partiële vernietiging met eigen afdoening om doelmatigheidsredenen, waarbij de straf ongemoeid blijft omdat aard en ernst van het overige bewezenverklaarde niet worden aangetast. Voor de praktijk: bij buitverdeling direct na het gronddelict moet het OM concreet aanwijzen welke gedraging méér omvat dan verwerven of voorhanden hebben en daadwerkelijk verhullingsgericht is; anders strandt de kwalificatie.

Conclusie A-G

A-G Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2019:1164) concludeerde tot vernietiging wat betreft feit 21 en de strafoplegging. De klacht over de pleegperiode faalt volgens de advocaat-generaal, maar de klachten over “omgezet” en over de kwalificatie slagen: het verdelen van de buit onder mededaders levert geen omzetten op (er ontstaat geen ander voorwerp dat het voordeel belichaamt) en heeft evenmin een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst gericht karakter — het volledige bedrag bleef immers binnen de dadergroep, met een verhullende werking die zelfs geringer is dan bij een bankstorting. De Hoge Raad volgt de conclusie volledig en verwijst voor de gronden expliciet naar de randnummers 6-8 en 6 en 10-13, maar laat — anders dan de A-G nog open had gelaten — de strafoplegging uitdrukkelijk in stand, omdat aard en ernst van het overige bewezenverklaarde niet worden aangetast.

Eerder op deze site