Geld gehanteerd bij illegaal bankieren is niet daardoor uit misdrijf afkomstig (ECLI:NL:HR:2014:3380)

ECLI:NL:HR:2014:3380 — Hoge Raad, 2014-11-25 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte fungeerde als storter/koerier binnen een hawala-constructie: bij het bedrijf van de medeverdachte konden klanten geld storten dat via de verdachte bij een bank werd afgestort ten behoeve van een Surinaams bedrijf. Het hof Amsterdam veroordeelde voor schuldwitwassen (art. 420quater Sr) van € 70.000 en € 350. Het hof stelde vast dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat de klantgelden zelf van misdrijf afkomstig waren, maar oordeelde dat het geld ‘daardoor’ — door het opzettelijk zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor (art. 3 lid 1 Wet inzake de geldtransactiekantoren, een economisch misdrijf) — uit enig misdrijf afkomstig was.

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het bedrag van € 70.000 uit enig misdrijf afkomstig is. De Hoge Raad acht die rechtsklacht gegrond: het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Vermogensbestanddelen kunnen in beginsel slechts als ‘afkomstig uit enig misdrijf’ worden aangemerkt indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het voorhanden hebben en overdragen ervan, terwijl de bewezenverklaring wat betreft de € 70.000 kennelijk niet ziet op de opbrengst of verdiensten van het vergunningloos bankieren (vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3044). De Hoge Raad vernietigt (behoudens de onaangevochten vrijspraak van het impliciet primair tenlastegelegde) en wijst terug naar het hof Amsterdam.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest is de derde toepassing in korte tijd van het temporele vereiste dat de Hoge Raad op 28 oktober 2014 formuleerde in de hawala-arresten ECLI:NL:HR:2014:3044 en ECLI:NL:HR:2014:3046: het misdrijf waaruit een voorwerp afkomstig is, moet zijn gepleegd voorafgaand aan de witwashandeling. Geld dat door middel van of binnen een misdrijf wordt gehanteerd, is niet daardoor uit dat misdrijf afkomstig. Illegaal bankieren is zelfstandig strafbaar als economisch delict, maar maakt de doorgesluisde klantgelden niet automatisch tot witwasvoorwerp; daarvoor moet komen vast te staan dat die gelden zelf uit een voorafgaand misdrijf komen — en juist dat kon het hof hier niet vaststellen.

Doctrinair hoort het arrest thuis in de bewijslijn rond het bestanddeel ‘uit enig misdrijf afkomstig’, maar op een ander scharnier dan het witwasvermoeden van HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787. Daar gaat het om de vraag hóe criminele herkomst bewezen kan worden zonder vaststaand gronddelict (‘niet anders kan zijn dan’); hier gaat het om een conceptuele grens aan het herkomstbestanddeel zelf. Nieuw is de regel niet: het arrest bevestigt en verbreedt ECLI:NL:HR:2014:3044, nu uitdrukkelijk voor schuldwitwassen (art. 420quater Sr) en voor de storter/koerier in plaats van de bankier zelf. Omdat het een geslaagde rechtsklacht betreft (‘getuigt van een onjuiste rechtsopvatting’ — volle toets), heeft het oordeel precedentwaarde.

Belangrijke nuance, door A-G Vellinga geëxpliciteerd en door de Hoge Raad in de beperking tot de € 70.000 verdisconteerd: de opbrengst of verdiensten van het vergunningloos bankieren (de provisie van € 350) zijn wél uit misdrijf afkomstig. Voor dat deel kan bij de nieuwe behandeling — pleegdatum 2005, dus vóór de datumgrens van 1 januari 2017 — de kwalificatie-uitsluitingsgrond nog relevant worden bij enkel voorhanden hebben van opbrengsten uit eigen misdrijf.

Voor de praktijk (opsporing, vervolging en compliance rond hawala/ondergronds bankieren en onvergund betaaldienstverlenen) is de les scherp: kies bij vergunningloze geldtransactiekantoren primair de economische-delictenroute, en bouw een witwasverwijt ten aanzien van de klantgelden alleen op indien de criminele herkomst van die gelden zelfstandig kan worden bewezen, zo nodig via het witwasvermoeden van BM0787.

Conclusie A-G

A-G Vellinga (ECLI:NL:PHR:2014:2131) concludeerde tot vernietiging en terug- dan wel verwijzing, geheel in lijn met HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3044: het misdrijf waaruit een voorwerp afkomstig is, moet voorafgaan aan de witwashandeling, zodat het oordeel van het hof over de € 70.000 rechtens onjuist is. De A-G nuanceerde dat de klacht voor de provisie van € 350 níet opgaat, omdat dat bedrag wél de opbrengst van het vergunningloos bankieren vormt. De Hoge Raad volgt de conclusie: het middel slaagt en de HR beperkt zijn oordeel uitdrukkelijk tot het bedrag van € 70.000, maar vernietigt integraal (behoudens de onaangevochten vrijspraak) en laat de herbeoordeling aan het hof.

Eerder op deze site

Vindplaatsen

  • RvdW 2015/15
  • SR-Updates.nl 2014-0485