ECLI:NL:HR:2015:1090 — Hoge Raad, 2015-04-21 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
De verdachte is door het hof veroordeeld voor een winkeldiefstal met geweld bij een Etos-filiaal (feit 1) en voor schuldwitwassen van in een auto aangetroffen goederen, waaronder cosmetica (feit 2). In die auto — waarin de verdachte als passagier zat — lagen tassen vol cosmetische artikelen, een deels afgevinkte lijst met adressen van Etos-vestigingen in Amsterdam en een TomTom waarin diezelfde adressen waren voorgeprogrammeerd.
Het eerste middel, over het voorhanden hebben en de culpa, wordt met art. 81 RO afgedaan. Het tweede middel klaagt over de kwalificatie als schuldwitwassen: de goederen zouden uit een (mede) door de verdachte zelf begaan misdrijf afkomstig zijn, zodat de kwalificatie-uitsluitingsgrond in beeld komt. Het hof passeerde dat verweer met de overweging dat niet is tenlastegelegd of gebleken dat de verdachte de goederen zelf heeft gestolen.
De Hoge Raad acht dat kennelijke oordeel niet zonder meer begrijpelijk: gelet op de bewezenverklaarde winkeldiefstal, de bekentenis van de verdachte en haar aanwezigheid in de auto met de buit wijst de bewijsvoering juist op herkomst uit eigen misdrijf. De Hoge Raad overweegt bovendien (r.o. 3.5) dat de regels over verwerven of voorhanden hebben uit eigen misdrijf ook gelden bij medeplegen van dat misdrijf, onder verwijzing naar de helingrechtspraak (ECLI:NL:HR:2002:AD8801). Volgt gedeeltelijke vernietiging (feit 2 en strafoplegging) en terugwijzing.
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest is een precisering binnen de lijn van de kwalificatie-uitsluitingsgrond, die inhoudt dat het enkele verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is, zonder een op verbergen of verhullen gerichte gedraging, niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. De pleegdatum (4 mei 2011) ligt ruim vóór de datumgrens van 1 januari 2017: destijds leidde toepassing van de uitsluitingsgrond tot niet-kwalificeerbaarheid (ontslag van alle rechtsvervolging), niet tot het toen nog niet bestaande eenvoudig (schuld)witwassen.
Het arrest brengt twee dingen. Ten eerste past de Hoge Raad het begrijpelijkheidskader toe dat kort tevoren was herhaald in ECLI:NL:HR:2015:888: ook als de feitenrechter zonder gerichte motivering kwalificeert omdat zich kennelijk geen eigen-misdrijf-geval voordoet, is dat kennelijke oordeel in cassatie op begrijpelijkheid toetsbaar. Hier deden zich twee van de drie factoren voor: er was een bewezenverklaring van een vermogensmisdrijf naast het witwasfeit, en de bewijsvoering (adressenlijst, TomTom, buit in de auto) wees rechtstreeks op een winkeldiefstaltocht. Het hof kon het verweer dus niet passeren met het formele argument dat de diefstal van déze goederen niet was tenlastegelegd: beslissend is wat uit verweer en bewijsvoering aannemelijk is, niet de inrichting van de tenlastelegging.
Ten tweede — en dit is het echt nieuwe element — overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.5 dat de eigen-misdrijf-rechtspraak niet alleen geldt voor de verdachte die het gronddelict zelf pleegde, maar ook bij medeplegen daarvan, naar analogie van de helingrechtspraak (ECLI:NL:HR:2002:AD8801). Daarmee is een ontsnappingsroute afgesloten waarbij de feitenrechter de verhullingseis omzeilt door erop te wijzen dat de verdachte niet de (enige) fysieke dief was. Signaleerwaardig is dat A-G Vellinga een nog bredere reikwijdte bepleitte (ook uitlokking, doen plegen en medeplichtigheid); de Hoge Raad beperkt zich uitdrukkelijk tot medeplegen, zodat de positie van andere deelnemingsvormen open blijft.
Voor de praktijk betekent dit dat een hof dat een beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond wil verwerpen, de eigen bewijsconstructie serieus moet nemen: wie op grond van dezelfde bewijsmiddelen een gezamenlijke diefstaltocht aanneemt, kan niet tegelijk volhouden dat de aangetroffen buit niet uit eigen (mede)misdrijf afkomstig is. Na terugwijzing wordt beslissend of de gedragingen van de verdachte een op daadwerkelijk verbergen of verhullen gericht karakter hadden — de kern van de lijn die het overzichtsarrest ECLI:NL:HR:2016:2842 later systematiseerde en die per 2017 in het eenvoudig (schuld)witwassen is gecodificeerd.
Conclusie A-G
A-G Vellinga achtte het eerste middel (voorhanden hebben en culpa) ongegrond, maar het tweede middel gegrond: het hof hanteerde een te beperkte opvatting door beslissend te achten dat niet is tenlastegelegd of gebleken dat de verdachte de goederen zelf heeft gestolen. Volgens de A-G geldt de kwalificatie-uitsluitingsgrond ook bij medeplegen, uitlokken, doen plegen en medeplichtigheid aan het gronddelict, en wees de bewijsvoering juist op een gezamenlijke winkeldiefstaltocht. De A-G concludeerde tot vernietiging voor feit 2, waarbij de Hoge Raad de zaak doelmatigheidshalve zelf zou afdoen met ontslag van alle rechtsvervolging onder handhaving van de straffen.
De Hoge Raad volgt de A-G inhoudelijk, maar smaller (r.o. 3.5 noemt alleen medeplegen) en niet in de afdoening: geen eigen afdoening, maar gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing naar het hof.
Eerder op deze site
- Drugsveroordeling maakt geld nog geen opbrengst uit eigen misdrijf (ECLI:NL:HR:2015:888) — Het twee weken eerder gewezen arrest waarnaar de Hoge Raad in r.o. 3.3.2 verwijst: hetzelfde begrijpelijkheidskader voor het kennelijke oordeel over herkomst uit eigen misdrijf, maar met tegengestelde uitkomst.
- Geen verhullingseis bij middellijke herkomst uit eigen misdrijf (ECLI:NL:HR:2014:702) — Markeert binnen dezelfde lijn de grens tussen onmiddellijke en middellijke herkomst; in de onderhavige zaak is de onmiddellijke herkomst uit eigen (mede)misdrijf juist wél aannemelijk.
Vindplaatsen
- NJB 2015/881
- RvdW 2015/617
- SR-Updates.nl 2015-0212
- SR-Updates.nl 2015-0208