Storten uit eigen misdrijf: verhullingseis geldt in de regel (ECLI:NL:HR:2014:2913)

ECLI:NL:HR:2014:2913 — Hoge Raad, 2014-10-07 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte is door het hof veroordeeld wegens witwassen (art. 420bis Sr) van geldbedragen (in totaal ruim € 8.000) die volgens een kasopstelling niet uit legale inkomsten konden worden verklaard. Het ging om contante stortingen op de eigen bankrekening, contante huurbetalingen en een betaling aan het CJIB. Het hof leidde de criminele herkomst af uit onder meer de kasopstelling, een bewezen inbraak en tapgesprekken, en oordeelde dat met het geld was geschoven op een wijze die geschikt is de herkomst aan de waarneming te onttrekken.

Het middel klaagde onder meer dat het bewezenverklaarde niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, nu de gedragingen niet gericht waren op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst. De Hoge Raad herhaalt het kader van de kwalificatie-uitsluitingsgrond en de reikwijdtebeperking daarvan tot verwerven en voorhanden hebben, maar overweegt (r.o. 2.5.2) dat het enkele storten van contante, onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige geldbedragen op een eigen bankrekening — ook als dat “omzetten” of “overdragen” oplevert — in de regel een bijzonder geval is waarin een op daadwerkelijk verbergen of verhullen gerichte gedraging vereist blijft. De motivering van het hof schiet op dat punt tekort (r.o. 2.5.3). Tot cassatie leidt dit echter niet: partiële vernietiging zou de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet aantasten, mede gelet op de opnames en contante betalingen aan derden van vergelijkbare omvang (r.o. 2.5.4). Het beroep wordt verworpen; het restant met art. 81 RO.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest is een gezaghebbende precisering binnen de lijn van de kwalificatie-uitsluitingsgrond (kern: HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, uitgewerkt in HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150). Op 25 maart 2014 had de Hoge Raad de reikwijdte van die uitsluitingsgrond beperkt tot verwerven en voorhanden hebben, met een uitzondering voor het “bijzondere geval” waarin overdragen, omzetten of gebruikmaken niet wezenlijk verschilt van enkel verwerven of voorhanden hebben — de anti-omzeilingsclausule (ECLI:NL:HR:2014:714; zie ook ECLI:NL:HR:2014:702 over “onmiddellijk”).

Het nieuwe zit in r.o. 2.5.2: de Hoge Raad vult die omzeilingsuitzondering voor het eerst categorisch in voor een concreet gedragstype. Het storten van contant, onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig geld op de eigen bankrekening is “in de regel” zo’n bijzonder geval, ook al levert dat technisch “omzetten” (contant naar giraal) of “overdragen” op. Daarmee snijdt de Hoge Raad de route af waarbij het openbaar ministerie de kwalificatie-uitsluitingsgrond zou kunnen omzeilen door eenvoudig een andere delictsgedraging ten laste te leggen. De feitenrechter moet dus ook bij zulke stortingen motiveren dat de gedragingen (kennelijk) gericht waren op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst — de verzwaarde motiveringseis uit ECLI:NL:HR:2013:150.

Tweede leerpunt is de belang-afdoening (r.o. 2.5.4): hoewel de kwalificatiemotivering ten aanzien van de stortingen ontoereikend is, blijft vernietiging achterwege omdat de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel niet worden aangetast; de opnames en contante betalingen aan derden dragen de kwalificatie zelfstandig. Een geslaagde klacht over de kwalificatie-uitsluitingsgrond leidt dus niet automatisch tot cassatie.

Doorwerking. De pleegperiode (2009-2011) ligt vóór de datumgrens van 1 januari 2017. Onder het huidige recht zou “kaal” verwerven of voorhanden hebben uit eigen misdrijf eenvoudig witwassen (art. 420bis.1 Sr) opleveren; de hier geformuleerde storten-regel blijft ook na 2017 bepalend voor de scheidslijn tussen gewoon en eenvoudig witwassen, zoals verankerd in het overzichtsarrest HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, en herhaald in HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:321. Het bewijskader van het witwasvermoeden (kasopstelling; “niet anders kan zijn dan”, ECLI:NL:HR:2010:BM0787) speelt op de achtergrond, maar dat onderdeel van het middel is met art. 81 RO afgedaan. Voor de praktijk: wie contante stortingen op de eigen rekening als witwassen wil laten kwalificeren, moet aanvullende verhullingsgerichte gedragingen aanwijzen en motiveren.

Conclusie A-G

A-G Spronken (conclusie ECLI:NL:PHR:2014:1712) concludeerde tot verwerping van het beroep, maar langs een andere route. De discrepantie in de bewijsmiddelen over de huurbetalingen achtte de A-G een kennelijke misslag die niet tot cassatie hoeft te leiden. Het storten op de eigen rekening kwalificeerde de A-G als “omzetten”, waarbij de uitzondering van het “bijzondere geval” zich volgens de A-G níet voordeed: het hof had de verhullingsgerichtheid toereikend gemotiveerd.

De Hoge Raad volgt de A-G in de uitkomst, maar wijkt inhoudelijk af: het enkele storten van contant, onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig geld op de eigen bankrekening is in de regel wél zo’n bijzonder geval, en de motivering van het hof was op dat punt ontoereikend. De verwerping steunt vervolgens op de belang-route: partiële vernietiging zou de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet aantasten.

Eerder op deze site

Vindplaatsen

  • NJB 2014/1863
  • RvdW 2014/1168
  • NJ 2014/500 met annotatie van N. Keijzer
  • SR-Updates.nl 2014-0381