ECLI:NL:HR:2026:179 — Hoge Raad, 2026-02-13 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
De verdachte is door het hof Amsterdam veroordeeld voor witwassen: zij woonde ruim acht jaar in — en had het genot van — een stolpboerderij die rond 1999/2000 met crimineel vermogen was verbouwd. Het hof legde onder meer een taakstraf en een geldboete van € 50.000 op, waarbij het overwoog dat de boete mede diende ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel.
Het eerste middel, over de bewijsvoering, wordt afgedaan met verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal (randnummers 5-14); het tweede middel strandt op art. 81 RO. Het derde middel stelde dat een geldboete die mede strekt tot afroming van voordeel ontoelaatbaar is, zeker nu een ontnemingsprocedure aanhangig is.
In aan de beoordeling voorafgaande opmerkingen zet de Hoge Raad het kader uiteen: de feitenrechter mag de hoogte van een geldboete mede bepalen aan de hand van het uit het feit verkregen voordeel. Wel moet de uitspraak dan ingevolge art. 359 lid 5 Sv voldoende inzicht bieden in de schatting van dat voordeel, en moet de verdediging zich daarover hebben kunnen uitlaten. Ter voorkoming van dubbele ontneming valt een (deels) afromende boete onder art. 36e lid 10 Sr: de ontnemingsrechter moet daarmee in matigende zin rekening houden, óók als de strafmotivering op dit punt tekortschoot. Het middel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt; het beroep wordt verworpen, met slechts de constatering dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden.
Betekenis voor de praktijk
Hoewel dit een witwaszaak is, ligt het koerszettende deel op het snijvlak van straftoemeting en ontneming. De Hoge Raad — in een vijfformatie, met voorafgaande overwegingen als signaal van principieel belang — codificeert het regime voor de afroomboete in drie bouwstenen. Ten eerste blijft de afroomboete toelaatbaar: geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de hoogte van een geldboete mede wordt bepaald aan de hand van het verkregen voordeel, in lijn met ECLI:NL:HR:2012:BW3684 en ECLI:NL:HR:2019:594 en binnen de ruime straftoemetingsvrijheid (ECLI:NL:HR:2022:975). Daarmee wijst de Hoge Raad het primaire pleidooi van A-G Aben voor een koerswijziging af. Ten tweede geldt een motiveringseis via art. 359 lid 5 Sv: de uitspraak moet inzicht bieden in de schatting van het voordeel en de verdediging moet zich daarover hebben kunnen uitlaten. Ten derde een anticumulatieregel: de afromende boetecomponent valt onder art. 36e lid 10 Sr, zodat de ontnemingsrechter in matigende zin verrekent — naar analogie van de verbeurdverklaringslijn (ECLI:NL:HR:2016:874; ECLI:NL:HR:2020:1211). Opvallend is het vangnet van r.o. 3.5.2: ook bij een gebrekkige strafmotivering moet de ontnemingsrechter verrekenen zodra hij aanleiding heeft een afroomcomponent te veronderstellen. Zo redt de Hoge Raad hier de strafoplegging, waar de advocaat-generaal de motiveringsklacht gegrond achtte; het risico van dubbele ontneming wordt doorgeschoven naar de ontnemingsrechter.
Voor de witwaspraktijk is het arrest tweeledig relevant. De bewijsvoering — afgedaan via de conclusie — is een toepassing van de ankerlijn van het witwasvermoeden (ECLI:NL:HR:2010:BM0787; herformulering ECLI:NL:HR:2018:2352) in een vermogensbestanddeel-variant: geen kasopstelling (vgl. ECLI:NL:HR:2023:1605), maar een onverklaarbare waardesprong van een onroerende zaak, met de niet-aangevochten WOZ-waarde als reële waarde-indicator en ervaringsregels over betrokkenheid en wetenschap van de zwijgende eigenaar-bewoner. Dat is bevestiging, geen nieuwe regel. Daarnaast raakt het motiveringsvereiste bij de afroomboete de les van ECLI:NL:HR:2013:BY5217: bij witwassen is het voorwerp van het delict niet vanzelf wederrechtelijk voordeel. Juist bij een witwasveroordeling wegens “gebruik maken” (wonen in een crimineel verbouwde boerderij) is de omvang van het genoten voordeel allerminst evident, en drukt de eis van r.o. 3.4.3-3.4.4 dus extra zwaar.
Classificatie: precisering op de afroomboete-lijn (voortbouwend op BW3684 en 2019:594), toepassing op de witwasbewijslijn (BM0787). De kwalificatie-uitsluitingsgrond en de datumgrens 1-1-2017 spelen geen rol: het gaat om onderdeel b-gedragingen zonder eigen-misdrijfproblematiek.
Conclusie A-G
A-G Aben (ECLI:NL:PHR:2025:875) achtte de bewijsvoering van het witwassen toereikend: het hof mocht het witwasvermoeden baseren op de onverklaarbare waardestijging van de stolpboerderij en de ongeloofwaardige verklaring over de verbouwing, en mocht betrokkenheid en wetenschap van de verdachte mede op ervaringsregels stoelen. Op het derde middel bepleitte de A-G echter primair een koerswijziging: voordeelsontneming mag geen (mede-)doel van een geldboete zijn, omdat daarmee de waarborgen van de ontnemingsprocedure worden omzeild; subsidiair een verduidelijking of aanscherping met een motiveringseis. In elk geval zou de strafoplegging moeten sneuvelen, nu het hof niet inzichtelijk maakte óf en tot welk bedrag de boete van € 50.000 een afroomcomponent bevat; de conclusie strekte tot partiële vernietiging en terugwijzing.
De Hoge Raad volgt de A-G op de eerste twee middelen (het eerste zelfs met verwijzing naar de conclusie), maar wijkt af op het principiële punt: de afroomboete blijft toelaatbaar, zij het geflankeerd door een motiveringseis en een verplichte verrekening in de ontnemingszaak. Anders dan de A-G laat de Hoge Raad de strafoplegging in stand en verwerpt hij het beroep geheel.
Eerder op deze site
- Witwasbedrag is niet vanzelf voordeel; afroomboete vernietigd (ECLI:NL:HR:2019:594) — Het nieuwe arrest bouwt voort op de in dit bericht besproken afroomboete-lijn en disciplineert die met een uitdrukkelijke motiveringseis en een verrekenplicht voor de ontnemingsrechter.