ECLI:NL:HR:2025:1247 — Hoge Raad, 2025-09-09 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
De verdachte is door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld in een gecombineerde zaak, waaronder de ‘drugszaak’ (parketnummer 16-013184-21) met onder meer drugshandel en witwassen. Bij de verdachte aangetroffen smartphones zijn met toestemming van de officier van justitie integraal uitgelezen en met zoektermen doorzocht op informatie over drugshandel, het criminele samenwerkingsverband, witwassen en de identiteit van de gebruiker. Het hof verwierp het bewijsuitsluitingsverweer: omdat de verbalisanten gericht zochten en privégevoelige informatie direct afsloten, was de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer beperkt en bood art. 94 jo. 95/96 Sv voldoende grondslag.
Het eerste middel (rechtsgevolg van een schending van het verschoningsrecht, art. 126aa lid 2 Sv) wordt met art. 81 lid 1 RO verworpen. Het tweede middel slaagt. Onder aanhaling van zijn bijstellingsarrest van 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:409, naar aanleiding van HvJ EU CG/Landeck) oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof niet toereikend is gemotiveerd: uit de vaststellingen volgt niet dat het onderzoek beperkt bleef tot gebruikersidentificatie of enkele beperkte waarnemingen over het actuele feitelijk gebruik, en evenmin dat sprake was van een spoedeisend geval. De Hoge Raad vernietigt uitsluitend de beslissingen in de drugszaak en de strafoplegging, wijst terug naar het hof en verwerpt het beroep voor het overige.
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest is geen witwas-doctrinair arrest — over de bestanddelen van art. 420bis e.v. Sr, het witwasvermoeden of de kwalificatie-uitsluitingsgrond wordt niet geoordeeld — maar het raakt de witwaspraktijk wel degelijk direct. Het is een van de eerste toepassingen van de post-Landeck-lijn die de Hoge Raad op 18 maart 2025 formuleerde (ECLI:NL:HR:2025:409), waarmee het oude kader uit het smartphone-arrest (ECLI:NL:HR:2017:584) is bijgesteld. De oude driedeling — beperkte inbreuk (opsporingsambtenaar), meer dan beperkte inbreuk (officier van justitie), zeer ingrijpende inbreuk (rechter-commissaris) — is verlaten: bij elke meer dan beperkte inbreuk is voortaan voorafgaande betrokkenheid van de rechter-commissaris vereist, omdat het openbaar ministerie geen onafhankelijk bestuursorgaan is in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie.
De cassatie leert de feitenrechter én de opsporingspraktijk twee dingen. Ten eerste: beslissend is de ex ante te voorziene reikwijdte van het onderzoek, niet de achteraf gebleken terughoudendheid in de uitvoering. Dat verbalisanten gericht met zoektermen zochten en privégevoelige apps ‘gelijk afsloten’, redt een integraal uitgelezen telefoon niet: zodra op voorhand te voorzien is dat inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens én andersoortige gegevens (foto’s, browsergeschiedenis, communicatie-inhoud), is de inbreuk niet meer beperkt. Ten tweede: buiten de grens blijven alleen gebruikersidentificatie en enkele beperkte waarnemingen over het actuele feitelijk gebruik, of naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen.
Voor witwaszaken is dit van bijzonder gewicht. Smartphonedata — chats over transacties, foto’s van contant geld, betaalapps — zijn in moderne dossiers vaak (mede)dragend voor het witwasvermoeden en de bewezenverklaring langs de bewijslijn van ‘uit enig misdrijf afkomstig’. Hier viel onder de vernietigde feiten ook een witwasveroordeling, en het telefoononderzoek was blijkens de vaststellingen van het hof mede op ‘mogelijk witwassen’ gericht. OM en politie zullen bij het uitlezen van telefoons vooraf een machtiging van de rechter-commissaris moeten vorderen, met een concrete omschrijving van aard en uitvoering van het onderzoek; de verdediging heeft in lopende zaken waarin dat niet is gebeurd een serieus aangrijpingspunt voor bewijsverweren.
Kanttekeningen: de Hoge Raad casseert op een motiveringsgebrek (‘niet toereikend gemotiveerd’), niet op een expliciet onjuiste rechtsopvatting, en beslist niets over het uiteindelijke rechtsgevolg — of bewijsuitsluiting ex art. 359a Sv volgt, is aan het hof na terugwijzing. Het verschoningsrechtmiddel (geheimhouderscommunicatie in het dossier, art. 126aa lid 2 Sv) strandde op art. 81 RO; die verwerping zegt inhoudelijk niets, maar bevestigt dat het niet-ontvankelijkheidsspoor een muizengaatje blijft. Het arrest vestigt dus geen nieuwe regel, maar bevestigt en operationaliseert de koerswijziging van ECLI:NL:HR:2025:409 — een grensmarkering die iedere witwaspraktijk met digitaal bewijs moet kennen.
Conclusie A-G
A-G Aben concludeerde dat het eerste middel (rechtsgevolg schending verschoningsrecht; verweer strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het OM) faalt en met art. 81 RO kan worden afgedaan, maar dat het tweede middel slaagt: getoetst aan het post-Landeck-kader van HR 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:409) kan het oordeel van het hof dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer beperkt was en dat art. 94 jo. 95/96 Sv volstond zonder tussenkomst van de rechter-commissaris, op de eigen vaststellingen van het hof geen stand houden. De A-G adviseerde partiële vernietiging (alleen de drugszaak en de strafoplegging), terugwijzing en verwerping voor het overige. De Hoge Raad volgt de conclusie volledig, zowel in de afdoening van beide middelen als in het dictum.