Motivering doorbreking verschoningsrecht notaris ontoereikend (ECLI:NL:HR:2013:CA0434)

ECLI:NL:HR:2013:CA0434 — Hoge Raad, 2013-07-02 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij een doorzoeking in het kader van een witwasonderzoek tegen een vastgoedhandelaar/financieel adviseur (‘Pavo’) nam de rechter-commissaris 66 dossiers en digitale bestanden in beslag bij een notariskantoor. De klaagster (het notariskantoor) beklaagde zich op grond van art. 552a Sv over deze inbeslagname en beriep zich op haar verschoningsrecht (art. 218 jo. 98 Sv). De Rechtbank Rotterdam verklaarde het klaagschrift ongegrond: zij oordeelde dat, gelet op algemene aanwijzingen uit het proces-verbaal aanvraag doorzoeking, redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan dat álle dossiers die betrekking hadden op de verdachte voorwerp uitmaakten van, of hadden gediend tot, het hem verweten strafbare feit.

De cassatiemiddelen klaagden dat dit oordeel ontoereikend was gemotiveerd (papieren dossiers resp. digitale bestanden) en dat de ringvoorzitter bij de nadere schifting van digitale bestanden aanwezig had moeten zijn. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping op alle punten. De Hoge Raad volgt de advocaat-generaal niet: de motiveringsklachten (middelen 1 en 2) slagen, omdat de lijst van inbeslaggenomen stukken geen enkele aanduiding van hun inhoud of aard bevat. Daarnaast preciseert de Hoge Raad (r.o. 3.6) dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde niet mag worden overgeslagen op de enkele grond dat het proces-verbaal aanvraag doorzoeking al voldoende basis lijkt te bieden. De beschikking wordt vernietigd en de zaak teruggewezen.

Betekenis voor de praktijk

CA0434 is geen bestanddelenarrest in de zin van art. 420bis e.v. Sr: het beslist niets over de kwalificatie-uitsluitingsgrond, het witwasvermoeden van HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, of eenvoudig witwassen. Het is een beklagbeschikking (art. 552a Sv) over de rechtmatigheid van doorzoeking en inbeslagneming bij een notaris als verschoningsgerechtigde (art. 218 jo. 98 Sv), in een strafrechtelijk onderzoek waarin witwassen door een cliënt de achterliggende verdenking vormt. Voor de witwaspraktijk is het arrest desalniettemin relevant, vooral als illustratie van een motiveringseis die structureel parallel loopt aan de motiveringslijn bij het witwasvermoeden.

De toets van art. 98 lid 2 Sv (‘redelijkerwijze geen twijfel dat de stukken voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend’) is een ander leerstuk dan de BM0787-maatstaf (‘niet anders kan zijn dan uit enig misdrijf afkomstig’), maar beide zijn indicia-gedreven bewijsvermoedens met een hoge drempel. De Hoge Raad oordeelt dat een enkele koppeling van stukken aan de verdachte onvoldoende is: er moet iets over de inhoud of aard van de stukken worden vastgesteld. Dat is een leerzame parallel met de eis dat redengevende feiten en omstandigheden met voldoende nauwkeurigheid aan wettige bewijsmiddelen worden ontleend (vgl. de motiveringslijn bij het witwasvermoeden, HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:846 en HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1904): ook daar volstaat een los verband niet.

Opvallend is dat de Hoge Raad afwijkt van advocaat-generaal Vellinga, die de motivering wél toereikend achtte op basis van de aanwijzingen in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking (verdenking van gemanipuleerde nota’s en aktes). Die afwijking is volgens het cassatie-leeskader inhoudelijk significant: de Hoge Raad toetst hier strenger dan het parket voorstelde en voegt in r.o. 3.6 een zelfstandige, verdergaande precisering toe die niet als zodanig in de middelen was geformuleerd — het standpunt van de verschoningsgerechtigde mag niet worden overgeslagen enkel omdat het proces-verbaal aanvraag doorzoeking al voldoende basis lijkt te bieden.

Doctrinair sluit het arrest aan bij eerdere rechtspraak over verschoningsrecht bij (mede) in witwasconstructies betrokken geheimhouders, zoals ECLI:NL:HR:2005:AT4418 (onderzoeksbelang medeverdachten bij doorbreking verschoningsrecht van een advocaat verdacht van gewoontewitwassen via valse notariële stukken) en ECLI:NL:HR:2006:AU5723 (beslag op onverklaard vermogen op een derdengeldrekening van een notaris). Beide tonen dat notariskantoren een herhaald aangrijpingspunt zijn in witwasonderzoeken, met een eigen procedureel kader dat naast — en soms in wisselwerking met — de materiële witwastoets staat. CA0434 vestigt geen nieuwe koers in het witwasrecht zelf, maar bevestigt en preciseert de bestaande verschoningsrecht-jurisprudentie (de AD9162/ZC9694-lijn) en is didactisch bruikbaar als illustratie van motiveringseisen bij aanpalende bewijsvermoedens.

Conclusie A-G

A-G Vellinga concludeerde tot verwerping van alle drie middelen. Op de motiveringsklachten (middelen 1 en 2) meende de A-G dat de rechtbank het oordeel dat redelijkerwijs geen twijfel bestond over de aard van de stukken toereikend had gemotiveerd, afgeleid uit de in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking genoemde omstandigheden (verdenking van gemanipuleerde nota’s en aktes via de notarisklerk). Op middel 3 meende de A-G dat aanwezigheid van de ringvoorzitter bij de latere schifting van digitale bestanden niet vereist is, al is dit met het oog op art. 8 EVRM wel aangewezen. De Hoge Raad volgt de A-G niet: middelen 1 en 2 worden juist gegrond verklaard omdat de motivering ontoereikend is, en middel 3 behoeft geen bespreking meer.

Eerder op deze site