ECLI:NL:HR:2025:215 — Hoge Raad, 2025-02-18 · volledige uitspraak op rechtspraak.nl
Samenvatting
De verdachte fungeerde als ‘kassier’ van een criminele organisatie die zich bezighield met handel in verdovende middelen: hij nam grote contante geldbedragen in ontvangst, bewaarde die en gaf ze weer af, en hield de financiële administratie bij. Per transactie ontving hij € 300 tot € 500 als beloning. In een verborgen ruimte achter zijn keukenblok werd onder meer € 18.700 aangetroffen, dat volgens zijn eigen verklaring die opgetelde beloning vormde. Het hof Amsterdam veroordeelde hem onder meer voor het witwassen van dit bedrag (art. 420bis Sr) en verwierp het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond: de beloning is niet het onmiddellijke resultaat van de criminele werkzaamheden zelf.
Het cassatiemiddel klaagt dat het bewezenverklaarde geen witwassen oplevert, met een beroep op de rechtspraak over verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. De Hoge Raad herhaalt het kader van de kwalificatie-uitsluitingsgrond (onder verwijzing naar HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702) en oordeelt dat het hofoordeel niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd: het later als beloning ontvangen bedrag is geen ‘onmiddellijk’ uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp. Dat de verdachte als kassier óók grote organisatiegelden voorhanden had, maakt dit niet anders; die werkzaamheden brengen niet mee dat hij ‘automatisch’ de daarvoor ontvangen beloning witwast. Het beroep wordt verworpen, conform de conclusie van A-G Spronken.
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest is een precisering binnen de doctrinaire lijn van de kwalificatie-uitsluitingsgrond (HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150; samengevat in het overzichtsarrest HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842), en meer in het bijzonder van het bestanddeel onmiddellijk uit eigen misdrijf. Uit HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702 was al bekend dat de bijzondere kwalificatie-eisen alleen gelden bij onmiddellijke herkomst. De Hoge Raad bevestigt nu expliciet de figuur van de criminele beloning: geld dat een deelnemer aan een criminele organisatie ontvangt als vergoeding voor zijn criminele werkzaamheden is niet het onmiddellijke resultaat van die werkzaamheden zelf. De betaling door de opdrachtgever fungeert als tussenschakel, zodat de uitsluitingsgrond niet opgaat en het enkele verwerven en voorhanden hebben van het loon als vol witwassen kwalificeert — ook zonder verhullingshandeling. Dit sluit aan bij de lijn van HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1705 (bewaargeving) en HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1820, waarop A-G Spronken in de conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:1137) leunt.
Didactisch instructief is het contrast dat het hof zelf aanbracht en dat de Hoge Raad sanctioneert: de door de kassier beheerde organisatiegelden zouden — indien tenlastegelegd — wél onder de uitsluitingsgrond vallen, omdat die onmiddellijk uit zijn eigen misdrijf (het kassieren zelf) voortvloeien. Alleen de later ontvangen beloning valt erbuiten. Het hof liep daarbij keurig de drie begrijpelijkheidsfactoren voor ‘onmiddellijk uit eigen misdrijf’ langs (HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618; herhaald in ECLI:NL:HR:2016:2842). Dat de rechtbank nog ontslag van alle rechtsvervolging had uitgesproken en het hof tegengesteld oordeelde, onderstreept dat dit een echt grensgeval was; de Hoge Raad koos dan ook voor een inhoudelijk gemotiveerde verwerping in plaats van art. 81 RO.
Voor de praktijk biedt het arrest OM en rechters een handzame route om geldezels, kassiers, katvangers en andere ‘dienstverleners’ van criminele organisaties voor hun loon wegens gewoon witwassen (art. 420bis lid 1 onder b Sr) te vervolgen. De datumgrens van 1 januari 2017 — feit 3 dateert van 6 november 2017 — is hier niet beslissend: nu het onmiddellijkheidsvereiste al niet is vervuld, komt het lichtere eenvoudig witwassen (art. 420bis.1 Sr) niet eens in beeld. Het arrest brengt geen koerswijziging, maar verscherpt een bestaande grens en verkleint het toepassingsbereik van de kwalificatie-uitsluitingsgrond op een punt dat in feitenrechtspraak tot uiteenlopende uitkomsten leidde.
Conclusie A-G
A-G Spronken (conclusie 19 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1137) concludeerde tot verwerping. De A-G onderscheidt de gelden die de verdachte als kassier in ontvangst nam en doorbetaalde — onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig, dus (indien tenlastegelegd) niet als witwassen kwalificeerbaar — van de later ontvangen beloning van € 18.700. Die beloning is volgens de A-G niet onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig: de betaling door de opdrachtgever vormt een tussenschakel. Daarbij steunt de A-G op HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1705 en de wetsgeschiedenis van eenvoudig witwassen, waarin de criminele beloning expliciet als voorbeeld wordt genoemd. Gezien de tegengestelde oordelen van rechtbank (ontslag van alle rechtsvervolging) en hof achtte de A-G afdoening met art. 81 RO niet passend. De Hoge Raad volgt de conclusie volledig en verwerpt het beroep inhoudelijk gemotiveerd.
Eerder op deze site
- Geld wegzetten bij derde is verhullen van vindplaats (ECLI:NL:HR:2026:788) — Belicht de andere flank van hetzelfde leerstuk: waar dit arrest de onmiddellijkheidsvraag bij verwerven/voorhanden hebben beslist, gaat dat bericht over de verhullingsgedraging (onderdeel a) die de kwalificatie-uitsluitingsgrond eveneens buiten toepassing stelt.
- Vrijspraken verhullen en opzetwitwassen bij bitcoins vernietigd (ECLI:NL:HR:2024:888) — Toont een verwante afbakening tussen enkel voorhanden hebben en op verbergen of verhullen gerichte gedragingen, het scharnier waarop ook de kwalificatievraag in dit arrest draait.